Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vennootschapsdirecties noodig zijn, om tot het bedrag van de zoogenaamde „affectieve" stortingen te komen. Ook hier dus is het gevaar groot, dat in een aantal gevallen een min of meer willekeurige bepaling van het werkelijke bedrijfskapitaal zal plaats hebben, en dat in verband daarmee ook willekeur in de bepaling van het bedrag der progressieve heffing, zonder eenig opzet of nalatigheid van de zijde der administratie, niet zal zijn te vermijden.*)

Volgt men bij de kapitaalsaantooning het zooeven bedoelde stelsel niet, maar gaat men den weg op, van vaststelling der verschillende reseryeeringen en afschrijvingen, die boven de afslijtingen uitgingen, en inventarisatie met waardeschatting van de onderdeelen van het bedrijfskapitaal, dan. doen zich de bezwaren, die ik tegen de vaststelling van de werkelijke winst door den fiscus moest opperen, in nog sterk verhoogde mate voor, zóó sterk, dat langs dien weg uitvoering van de bewuste bepaling niet slechts een bron van willekeur moet worden, maar vrijwel tot de onmogelijkheden behoort.

Het groote verschil tusschen het stelsel, dat de Indische fiscus bij de toepassing van lett. c. art. 25 voorstaat, en — naar het zich laat aanzien — niet bereid is los te laten, en de wijze van toepassing, welke door den Ondernemersraad wordt aanbevolen, bestaat in het volgende. De belastingadministratie leest art. 25 zóó, dat het niet voldoende is aan te toonen, dat „de winst geheel of gedeeltelijk niet is uitgekeerd, doch tot verhooging van het tot uitoefening van het bedrijf aangewende kapitaal is gebezigd", maar dat het op die wijze verhoogde kapitaal op het tijdstip, dat voor de aantooning geldt, i.c. 31 December 1919, nog aanwezig moet zijn. Zij grondt deze opvatting op hetgeen op de zooeven aangehaalde woorden in het artikel volgt, namelijk, dat onder

i) Een eigenaardige moeilijkheid kwam ter kennis van den Ondernemersraad, die tot groote onbillijkheid leiden kan, maar die zonder wijziging der Ordonnantie niet is weg te nemen. Het komt bij sommige ondernemingen voor, dat zij gedreven worden in den vorm eener naamlooze vennootschap welker aandeelen in handen zijn van een grootere, meer omvattende maatschappij en dat de eerstbedoelde vennootschap zoodanig is geconstrueerd, dat haar officieel maatschappelijk kapitaal ver beneden de werkelijke waarde der onderneming staat. Wat zij meer noodig heeft voor de uitoefening van haar bedrijf wordt haar door de moeder-maatschappij gefourneerd. Haar winsten worden aan deze uitgekeerd en deze - niet zij zelve - zorgt voor de noodige reserveeringen om te voorkomen, dat haar kapitaal niet wordt aangetast door te hooge uitkeeringen aan haar aandeelhouders.

Dit komt voor bij enkele in Oost-Sumatra met Engelsch kapitaal werkende rubber-maatschappijen maar het zal wel niet tot deze alleen beperkt zijn.

In dit geval nu voorziet de Ordonnantie niet. Er wordt hier wel een gedeelte van de winst gereserveerd tot „verhooging van het tot uitoefening van het bedrijf aangewende kapitaal". Maar dit geschiedt niet door de vennootschap zelve maar door haar moeder-maatschappij aan wie zij haar volle winst uitkeert. Er schijnt alle aanleiding te bestaan om, ter wille van de billijkheid, art. 25, lett. c zoodanig aan te vullen, dat het ook het hier bedoelde geval omvat en dan natuurlijk zóo, dat het aangevulde artikel geacht wordt van den aanvang af aldus te hebben geluid.

Sluiten