Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kapitaalsstortingen wordt begrepen „het bedrag waarmede (het) kapitaal óp 31 December 1919 is vermeerderd."

De woorden laten die uitlegging weliswaar toe en deze vindt zelfs eenigen steun in de bepaling van een volgende alinea van het artikel, luidende, dat „de bedragen die op aandeelen in vennootschappen (wegens verlies) werden afgestempeld, als terugbetaalde stortingen worden aangemerkt". Maar zij gaat geheel tegen het principe der progressieve heffing in en leidt tot allerlei zonderlinge consequenties en — wat nog erger is — tot grove onbillijkheden.

Heeft een vennootschap met een kapitaal van één millioen gulden met verlies gewerkt en zijn dientengevolge haar aandeelen door afstempeling teruggebracht tot bijv. 50 pCt. van hun oorspronkelijk bedrag, dan wordt zij geacht haar latere winsten slechts te maken over een kapitaal van f 500.000. Een andere vennootschap met een gelijk kapitaal, die eveneens 50 pCt. verlies heeft gehad, maar haar kapitaal niet door afstempeling tot de helft terugbracht, maakt voor de toepassing van art. 25 haar toekomstige winsten over een kapitaal van f 1 millioen. Hierover bestaat geen verschil van gevoelen. Gesteld nu: beide vennootschappen maken in eenig jaar een winst van ƒ100.000, nadat de „inkomstënbelasting" reeds in mindering is gebracht, dan valt de laatste in het geheel niet in de extrawinstbelasting, die 10 % van het kapitaal vrijlaat; de eerste daarentegen, die geacht wordt 20 % winst te hebben gemaakt, heeft over de helft 6 % of ƒ 3000 te betalen. Natuurlijk is deze anomalie aan de aandacht van de belasting-administratie niet ontsnapt. Maar deze zoekt de oplossing niet in de goede richting van terugkeer op dit punt tot de Ordonnantie van 1908, die met afstempeling geen rekening hield, doch — volgens een den Ondernemersraad medegedeelde uitlating van den Hoofdinspecteur van Financiën te Batavia — in een wijziging van de Ordonnantie 1920 in dien zin, dat ook de niet afgestempelde verliezen van het vennootschappelijk kapitaal zullen worden afgetrokken voor de toepassing van de progressieve extra winstbelasting.

Dezelfde hoofdambtenaar voerde tot staving van de uitlegging, welke de administratie aan art. 25 geeft, het volgende aan: „Of in eenig jaar een abnormaal hooge winst is gemaakt, welke extra moet worden belast, wordt niet behöerscht door de vraag, welk kapitaaloffer de aandeelhouders hebben gebracht, maar alleen hierdoor: welk kapitaal heeft medegewerkt tot het verkrijgen van de winst. Is in verhouding van dat kapitaal de winst abnormaal hoog, dan wordt zij extra belast."

Ik heb te meer reden om deze mededeeling als juist aan te nemen, omdat zij strookt met de opvatting, die ik meer dan eenmaal hoorde uit den mond van een der hoofdambtenaren van het Departement van Koloniën bij besprekingen over deze kwestie, die in het Kabinet van den Minister in tegenwoordigheid van dien hoofdambtenaar plaats hadden. Deze drukte de gedachte, die aan de opvatting

Sluiten