Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den verlies is ingeboet, dat bij winst in een later jaar van het „aangetoonde" kapitaal in mindering moet worden gebracht bij de toepassing van art. 22, hetwelk de progressieschaal regelt. Het begint ons reeds voor de oogen te draaien, wanneer men poogt er zich in te verdiepen. Men behoeft niet zeer critisch te zijn aangelegd om tot de conclusie te komen, dat de toepassing, welke de Indische fiscus zich voorstelt aan art. 25 te geven, door een labyrint van niet behoorlijk op te lossen praktische kwesties heen voert tot een zee van onbillijkheden.

Zonder twijfel is het bij een meer met geest en strekking der in de Ordonnantie als noodzakelijk complement van de progressieve extrawinstbelasting toegelaten „kapitaalsaantooning" strookende uitlegging en toepassing van art. 25 niet zóó erg gesteld. Maar ook bij het meer eenvoudige stelsel, dat door den Ondernemersraad werd aanbevolen (waarin ter wille van het verkrijgen van overeenstemming aan de opvatting der administratie reeds meer werd toegegeven dan, objectief gesproken, had behoeven te geschieden en had mogen worden gedaan) zullen er in de practijk nog tal van moeilijkheden te overwinnen of liever gezegd: tal van knoopen door te hakken zijn. Dit is nu eenmaal aan het stelsel eener progressieve vennootschapsbelastin g inhaerent.

Wanneer men nu bedenkt, dat in dit stelsel, hoe men het ook toepast, een strijd over de werkelijke grootte van het bedrijfskapitaal periodiek moet worden gevoerd, ook al laat de Ordonnantie geen periodieke kapitaalsaantooning toe, dan blijkt wel, hoe onmogelijk het is, een progressieve heffing van door den fiscus te constateeren werkelijke bedrijfswinsten in praktijk te brengen, zonder voortdurend in den meest flagranten strijd te komen met den reeds door het gezond verstand als jmat erkenden eisch van Adam Smith, dat het bedrag der belasting vast moet staan, voor den belastingplichtige duidelijk en klaar moet wezen, en dat bij de vaststelling willekeur moet zijn uitgesloten.

Proportioneele heffing van een vennootschapsbelasting van de werkelijk gemaakte zuivere winst, leidt onvermijdelijk tot grooten administratieven omslag, tot niet bedoelde, maar daarmede niet minder ernstige willekeur, tot onzekerheid, tijdverlies en krachtsverspilling bij de de administratie. Progressieve heffing van de winst is alleen dan praktisch mogelijk, wanneer men zich om de billijkheid van de resultaten, waartoe men komt, even weinig bekommert, als om den welhaast onoverkomelijken omslag, waartoe zij leiden moet.

Dit wat betreft de zoogenaamde inkomstenbelasting. Wat nu aangaat de productenbelastingen, zijn de technische gebreken der gemaakte regelingen wel anders, maar niet minder groot.

Alvorens dit uiteen te zetten, wil ik met een enkel woord er op wijzen, hoe de Indische belastingwetgever bij de uitwerking der productenbelastingen het ware karakter der „inkomstenbelasting" van naamlooze vennootschappen heeft

52. De productenbelastingen.

Sluiten