Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten erkennen. In de principieel minst aanvechtbare productenbelastingei d.w.z. die op de suiker, de tabak en de thee is ter benadering van de werkelijk winst een staat opgenomen van de uitgaven, die ter bepaling van de netto-oj brengst van het product van den besomden verkoopprijs mogen worden afge trokken. Onder die uitgaven nu komt terecht voor: de „inkomstenbelasting ove het belastingjaar".1) Hiermede wordt stilzwijgend erkend, dat de zoogenaamd inkomstenbelasting gelijk staat met de belasting op paarden en automobieler met de verponding en andere dergelijke heffingen, dus dat men hier te doen heef met een zakelijke bedrijfsbelasting. Het doet eenigszins zonderling aan, dat me: op hetzelfde oogenblik dat men deze bepaling invoerde, in de Verordening op d inkomstenbelasting de heffing van deze belasting van de vennootschappei regelde, als had men met een persoonlijke belasting te doen.

Doch dit ter zijde. Een eigenaardigheid van de productenbelastingen en de uit voorrechten is, dat die, welke principieel het meest aanvechtbaar zijn, technisc] de minste gebreken vertoonen en omgekeerd. De principieele bezwaren tegen di uitvoerrechten en de koffiebelasting werden in de par. 24, 25 en 30 uiteengezet en behoeven hier niet te worden herhaald.

Ter uitvoering van de productenbelastingen trachten de Ordonnanties op di heffingen van de drie zooeven genoemde producten deu werkelijken kostprijs dooi

0 Naar den Ondernemersraad uit Indië werd bericht, past de administratie aldaar deze bepaling aldu toe, dat onder „ inkomstenbelasting over het belastingjaar" is te verstaan „ inkomstenbelasting die voor he belastingjaar is opgelegd", dus over het voorafgaande jaar. Het is duidelijk, dat deze uitlegging taalkundig uiterst gewrongen is, maar zij past ook niet in het stelsel der productenbelastingen. De staten van uitgaaf die daarbij behooren, hebben ten doel de netto-uitkomsten van den oogst van het jaar vast te sitellen dooi van de bruto-opbrengst van het product den kostprijs af te trekken. Deze nu wordt, voor zooveel de belastin gen aangaat, niet bepaald door hetgeen over den vorigen oogst verschuldigd is, maar door hetgeen van d( opbrengst van den oogst zelf, waarom het gaat, aan belasting op paarden en automobielen, verponding er „inkomstenbelasting" afgaat. Dit is in de Ordonnanties logisch geregeld. In de toepassing geeft hel echter aanleiding tot moeilijkheid, want de „inkomstenbelasting" over 1920 wordt eerst op zijn vroegst in 1921 vastgesteld en de uitvoering van de productenbelastingen over 1920 moet derhalve op die vaststelling wachten, tenzij men voorloopige opgaven vraagt en voorloopige aanslagen dienovereenkomstig vaststelt, waarin de „inkomstenbelasting over het belastingjaar", behoudens nadere verrekening aanvankelijk wordt begroot.

Dat de opvatting van de administratie niet alleen gewrongen, maar tevens onjuist is, blijkt trouwens uit de uitgaven-staten zelf. Daar wordt, wat de belastingen aangaat, opneming toegelaten van de inkomstenbelasting, de belastingen op paarden en automobielen en de verponding, telkens „over het belastingjaar". Deze uitdrukking moet dus ook in de drie gevallen hetzelfde beteekenen. Maar bij de verponding wordt er aan toegevoegd: „of het daarvoor begroote bedrag". Dit nu zou geen zin hebben, als bedoeld was de verponding opgelegd voor het belastingjaar over het vorige jaar. Deze toch behoeft niet meer, althans niet in meer gevallen dan de „inkomstenbelasting", begroot te worden. Het ware zeker beter geweest deze veiligheidsklep niet alleen bij de verponding op te nemen, maar de omstandigheid, dat men dit bij de andere in de uitgavenstaten erkende belastingen niet deed, brengt geen verandering in de beteekenis van de in het stelsel logisch passende woorden „over het belastingjaar".

1,

e i-

r e

i, 't a e ï

ï

> 53. Kostprijsberekenin | gen onderling zeer verschillend.

t

Sluiten