Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

j r s i 1 i

(

(

55. Rente van het rouleerend kapitaal.

ening volgens de productenbelastingen, gesteld een oogenblik dat het overigens oist ware, onmogelijk kloppen met de winst, die belastbaar is volgens de Ordonantie op de inkomstenbelasting. Het stelsel, dat bij de productenbelastingen en peciaal bij de suikerbelasting is gevolgd, is wel veel eenvoudiger dan dat van de nkomstenbelasting, maar het deugt niet. Het brengt een storend element m de :ostenberekening. Door een enkel voorbeeld is dit gemakkelijk duxdelijk te aaken.

Neemt men aan dat een suikerfabriek er in 1920, om welke reden dan ook, toe )verging haar machinerie grootendeels te vernieuwen, dan komen de kosten daaraan voor het volle bedrag op den uitgaven staat van dat jaar, en worden dusvoor lie fabriek de productiekosten in 1920 buitensporig hoog, zoodat er naar die berekening voor haar misschien zelfs in dat buitengewoon voordeelige jaar slechts 3en matige winst zal zijn, ook al is er bij de berekening voor de extrawinstbelasbing een hooge winst. In het jaar 1921 daarentegen komt voor die fabriek voor machinerieën niets op den uitgavenstaat, en zijn dus de productiekosten vpor de suikerbelasting veel te laag. De onderneming moet over dat jaar dus betalen over een fictieve winst, veel hooger dan de winst volgens de regeling bij de inkomstenbelasting. De fiscus lijdt er geen schade bij. In het gestelde geval krijgt hij het eerste jaar wel te weinig suikerbelasting, maar die mag toch verrekend worden met de (veel hoogere) extra-winstbelasting; in het tweede jaar met lage werkelijke winst krijgt hij slechts weinig of geen extrawinstbelasting, maarhefthijeen onredelijke hooge suikerbelasting, waarmede de lagere extrawinstbelasting verrekend wordt. Voor den fiscus snijdt het mes dus van twee kanten, maar de belastingplichtigen worden van al die zonderlingheden dupe. Wanneer men dit een en ander nagaat, kan men de geheele regeling van afschrijvings- en aanschaffingskosten in de productenbelastingen en de herziene inkomstenbelasting met wel anders qualificeeren dan als een stelsel van stelselmatige stelselloosheid zonder aanzien van recht en billijkheid.

Weinig logica is ook te ontdekken in hetgeen in de uitgavenstaten wordt bepaald omtrent de rente, die in rekening mag worden gebracht voor hetgeen noodig

is ter financiering van de producten tot aan het oogenblik van hun afzet. In de Tabaksordonnanties wordt dit bepaald op 7 V. % in de Theeordonnantie op 4 A, in de Suikerordonnantie op 5V,% voor ondernemingen in de Gouvernementslanden en op 4 % voor die in de Vorstenlanden.

Het is duidelijk, dat men hierbij rekening heeft willen houden met de rente, die in het algemeen in verband met de grootere of kleinere risico's van het bedrijf voor het rouleerend kapitaal moet worden betaald of berekend. Maar dat op dien grond een rente van 4% voor theeondernemingen tegenover 7/, /« voor Sumatra-tabak-ondernemingenzouzijnte verdedigen, is toch op zijn minst ge-

Sluiten