Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„God zegen de greep" had toegepast. De heer de Geer ging zeker niet te ver toen hij — zonder zich in de uitwerking te verdiepen — sprak van luk-raak-heffingen (zie boven par. 23).

De derde eisch van Adam Smith, dat elke belasting behoort te worden geheven 57. Tijd en wijze van op het oogenblik en op de wijze, waarop ze in het algemeen het minst last ver- hefRn9oorzaakt aan den belastingplichtige is in de Indische belastingen beter tot zijn recht gekomen. Op dit punt kunnen bij een herziening wel eenige verbeteringen worden gebracht, doch ernstige grieven te dien aanzien zijn over het algemeen in billijkheid niet te maken. De bepalingen in de producten-ordonnanties, datdebelasting dadelijk in haar geheel invorderbaar is, kunnen bij groote bedragen wel wat kras werken; maar de Hoofdinspecteur kan althans den termijn van betaling verlengen, in welk geval er een rente van 7« pet. per maand over de verschuldigde som bijbetaald moet worden.

Waarom de suikerondernemingen maar één maand tijd hebben voor de aanzuivering, de andere twee maanden, is niet heel duidelijk. Intusschen, aan een boom zoo vol geladen, telt men zulk een pruimpje niet. Alleen meen ik in verband hiermede, wat de inkomstenbelasting betreft, te moeten verwijzen naar het adres van den Ondernemersraad betreffende den voorloopigen aanslag in de inkomstenbelasting en de suikerbelasting, welk adres als bijlage VI aan deze Nota is toegevoegd.

Voorts is het, wat de wijze van heffing betreft, met de billijkheid niet geheel strookend, dat de Commissie van Aanslag alleen dan den aangever in de gelegenheid stelt zijn aangifte nader toe te lichten, wanneer zij opheldering noodig acht. Billijkheidshalve, en ook om latere beroepen te voorkomen, verdiende het aanbeveling bij een herziening der bestaande regeling de gelegenheid tot het verstrekken van opheldering aan den aangever te geven in alle gevallen, waarin de Commissie meent van de aangifte te moeten afwijken.

De regeling in art. 74 van de herziene inkomstenbelasting 1920, dat boete 58. Boete bij te late bebeloopen wordt bij niet betaling uiterlijk op den eersten dag van de maand, volgende op die, waarin de verschijndagen vallen, is op zich zelf wel is waar niet onbillijk, maar alleen in geval de fiscus zelf tijdig de aanslagbiljetten uitreikt, dus m. a. w. indien de verschijndagen, genoemd in het 2e lid van art. 72 in acht genomen kunnen worden.

Wanneer daarentegen de administratie te laat is, en dus de uitreiking van het 1 aanslagbiljet na den laatsten verschijndag heeft plaats gehad, is het inflagranten strijd met den toch zoo juisten eisch van Adam Smith, reeds een maand later een hooge boete te vorderen, wanneer dan het in sommige gevallen zeer hooge bedrag

Sluiten