Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men in belastingzaken aan een analoge regeling niet slechts gedacht, doch haar doorgevoerd ook.

Niet van principieel, maar voor vele belastingplichtigen van uitnemend praktisch belang, is de vraag of één Raad van Beroep voor geheel Nederlandsch-Indië wel voldoende is. Vooral voor hen, die in een der buitenbezittingen gevestigd zijn, is het een groot bezwaar, dat zij voor beroepszaken naar Batavia moeten gaan, en ook voor hen, die in Oost- of Midden-Java zijn gevestigd, is de noodzakelijkheid van het maken van een reis naar Batavia om voor den Raad van Beroep hunne belangen te verdedigen, ongetwijfeld een groot bezwaar. Ook is de vrees niet ongerechtvaardigd, dat één enkele Raad van Beroep in verband met het groot aantal kwesties, waartoe de nieuwe belastingregeling aanleiding geeft, met werk zal worden overstelpt en dat dit, zoowel aan de snelheid der afdoening als aan de degelijkheid zijner uitspraken, afbreuk zal doen. Het verdient dus wel overweging, in plaats van één Raad van Beroep, afzonderlijke Raden in te stellen, b.v. voor West-Java, Midden-Java, Oost-Java, West-Sumatra, Oost-Sumatra en Celebes, zooals gevraagd werd in het adres van 31 Januari van het Bestuur der Handelsvereniging te Soerabaja. Voor de vervulling van dien wensch is het van groote beteekenis, dat een in Indische belastingzaken zoo invloedrijk man als de heer Janssen zich er in zijn zooeven aangehaald artikel bij aansluit.

Het instellen van meer dan één Raad van Beroep heeft intusschen ook zijn bezwaren. In de eerste plaats zal men zich vooraf hebben te vergewissen of men wel kan .beschikken over een genoegzaam aantal geschikte en onafhankelijke personen, die bereid zijn een deel van hun tijd en van hun werkkracht aan de zaak te wijden. Voorts ontstaat bij een veelheid van beroepsraden, ook al zijn zij uit geheel onpartijdige leden samengesteld, het gevaar dat de verschillende colleges van opvatting omtrent een aantal punten zullen verschillen. Men kan, voor zoover de toepassing van de Wet betreft, op overeenkomstige wijze als in Nederland geschiedt, dit bezwaar ondervangen, door aan het Hooggerechtshof van Nederlandsch-Indië op te dragen, als cassatierechter in belastingzaken op te treden *). Daarmede ondervangt men echter het bezwaar niet geheel, want men behoeft maarte denken aan de moeilijkheden,die hierboven ten aanzien van afschrijving en reserveering werden ontwikkeld en aan tal van andere feitelijke kwesties, om in te zien, dat het voor gelijkheid in de belastingheffing niet voldoende is, dat er gelijkheid is in de formeele wetstoepassing. Het verwondert mij, dat een in belastingzaken zoo doorkneed man als de heer B. ten Bruggen Cate, blijkens zijn artikel in De Indische Mercuur van 9 December 1921, dit bezwaar niet heeft ge-

J) Terecht merkt de heer Janssen in zijn artikel tegen den heer Ten Bbüggen Cate op, dat „de Raden van Justitie niet als cassatierechter zullen kunnen optreden, om de eenvoudige reden, dat alsdan zooveel interpretatien van één en dezelfde bepaling mogelijk zouden zijn als er Raden van Justitie bestaan".

6

Sluiten