Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieper doordringen, dan zou het er met de aanspraken op recht, die ook de Indische staatsburger kan doen gelden, slecht uitzien.

Ten slotte moet ik nog een oogenblik stilstaan bij den vierden en laatsten eisch, dien Adam Smith in het algemeen aan belastingen stelt, n.1. dat ze zóó behooren te zijn ingericht, dat ze zoo weinig mogelijk mee'r uit de beurzen der belastingschuldigen halen, dan in'de schatkist terecht komt. Men kan dit korter uitdrukken door te zeggen, dat de kosten van administratie zoo laag mogelijk behooren te worden gehouden. Ook in dit opzicht voldoèn de hier besproken Indische belastingen niet aan hetgeen men in redelijkheid eischen mag. Zoowel de heffing der zoogenaamde inkomstenbelasting van vennootschappen als die van de productenbelastingen, brengt grooten administratieven omslag met zich mede. Na hetgeen hieromtrent reeds werd betoogd, behoeft dit niet nader te worden aangeduid. Bovendien worden niet alleen de administratiekosten van de schatkist zelf bij zulk een ingewikkeld stelsel van belastingheffing onnoodig hoog, maar men dwingt voorts de onder de besproken belastingwetten vallende vennootschappen er een eigen afzonderlijken dienst op na te houden voor de juiste voldoening aan haar belastingplicht. Zonderling genoeg heeft men de productenbelastingen en de met de zoogenaamde inkomstenbelasting in verband staande uitvoerrechten ingevoerd met het motief, dat „de belastingdienst in Indië vooralsnog onvoldoende toegerust (is) om inderdaad de vereischte waarborgen te verschaffen van eene scherpe controle op de aangiften van rechtspersonen en van physieke personen met aanzienlijke inkomsten", (bl. 6 M. v. T. Ontwerp aanvulling Indische begrooting voor 1920). En men heeft de Regeering laten verklaren, dat de „perceptie" dezer aanvullende belastingen „verzekerd" zou zijn (t. z. p. bl. 7). Indien dit iets beteekent, moet het wel zijn, dat de heffing aan den „onvoldoend toegerusten belastingdienst" geen zware eischen zou stellen en dat deze zonder groote moeite de „perceptie" zou kunnen bewerkstelligen.

Men moet natuurlijk aannemen, dat de stellers der Ordonnanties dit ook werkelijk hebben gemeend, maar men vraagt zich toch af, hoe zij tot zulk een oordeel hebben kunnen komen. De administratie zal alle staten van exploitatieuitgaven welke voor de suiker-, tabaks- en theebelastingen worden ingediend, moeten controleeren, hetgeen op zichzelf reeds veel arbeid en personeel zal eischen. En het ergst is, dat het werk aan de opmaking en de controleering van die uitgavenstaten ook zal moeten worden gedaan, in gevallen waarin zij in verband met de verkoopprijzen tot een negatief resultaat leiden, m.a.w. aantoonen, dat er geen belastbare winst werd gemaakt.

Het staat dan ook wel buiten twijfel, dat men, door het ingewikkelde stel van belastingen dat in 1921 werd ingevoerd, de administratie, die toen, vooral in ver-' band met de moeilijke heffing der oorlogswinstbelasting reeds ten achter was,

60. Ontstemmende admi nistratieve omslag

Sluiten