Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D. HERZIENINGSDENKBEELDEN.

Bezuiniging alseers eisch.

te De Indische schatkist zal in de eerste plaats zichzelf moeten herzien in dien zin dat, zoolang de algemeene toestand zich niet duidelijk verbetert, van alle niet strikt noodzakelijke uitgaven worde afgezien. Het zal zonder uitzondering ieder verheugen, wanneer het tijdperk van gedwongen inperking van uitgaven, die op zich zelf wenschelijk zouden zijn, maar die men zich desniettemin thans niet veroorloven kan, spoedig voor betere toestanden plaats zal maken. Doch vooreerst ziet het er niet naar uit, dat op zulk een verheldering van den toestand mag worden gerekend. Men is nu eenmaal in het tijdperk der magere jaren en men heeft zich er in te schikken en zich er naar te gedragen, hoe onaangenaam het ook wezen moge.

Hoeveel millioenen bezuinigd zullen kunnen worden, is alleen aan te geven door de Indische regeering zelve, die over de daartoe noodige gegevens beschikt; maar nu deze in de jaren van ongekenden voorspoed ver boven de kracht van het land is gaan leven, zal de vermindering van uitgaven een honderdtal millioenen vermoedelijk belangrijk te boven «moeten gaan. Dat is niet te verhelpen. De begrooting van de gewone uitgaven en inkomsten moet, hoe dan ook, sluitend worden gemaakt, dit is de eerste en onafwijsbare voorwaarde voor een gezond en vertrouwen wekkend landsbeheer. Zonder dat zal, zelfs als de belastingen verbeterd zullen zijn en er de noodige stabiliteit in de belastingpolitiek zal zijn gekomen, niet voldaan zijn aan de voorwaarden waarvan Sir "VValter Townley in zijn brief (zie bjjl. VII) de mogelijke medewerking van het „British capital for the execution of public works, shonld the colonial administration require it". Niet slechts in de belastingen maar in de geheele finantieele politiek moet stabiliteit komen en clit vereischt vóór en boven alles een sluitende begrooting.

Met vermindering van uitgaven alleen, hoe volstrekt noodzakelijk die ook wezen moge, is het echter niet gedaan. Ook de regeling der inkomsten moet onder de oogen worden gezien. Mijne financieele beschouwing nu zou onvolledig zijn, indien ik mij bepaalde tot de in vorenstaande bladzijden geleverde critiek op enkele der meest belangrijke Indische belastingen zonder eenige poging tot opbouw.

Intusschen kan ik slechts hoofdpunten aangeven, waarvan de uitwerking, indien zij ter bevoegder plaatse mochten worden aanvaard, zal móeten geschieden in overleg met deskundigen, die van de practijk der belastingheffing in Indië op de hoogte zijn.

Mijne eerste opmerking sluit zich aan bij hetgeen ik boven in § 42 schreef.

Sluiten