Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indië is voor zijn hoofdbronnen van inkomst zoozeer afhankelijk van de uitkomsten zijner cultures en van zijn mijnbouw, dat er onvermijdelijk een groote wisseling in de inkomsten, waarop het rekenen kan, zijn moet. Dit brengt mede dat men de belastingen zoodanig behoort in te richten, dat de wisseling in de jaarlijksche inkomsten tot het onvermijdelijk minimum wordt teruggebracht. Ik doel hiermede op den te kwader ure verlaten weg van de heffing der inkomsten- en der vennootschapsbelasting naar de gemiddelde uitkomsten van de laatste drie jaren voorafgaande aan het belastingjaar. Na hetgeen ik hieromtrent reeds in het midden bracht, behoef ik er thans niet op nieuw bij stil te staan. Ook als men de vennootschapsbelasting uit de Ordonnantie op de inkomstenbelasting licht en haar afzonderlijk en wel als een uitkeeringsbelasting regelt, zal men voor beide heffingen ter vermijding van al te groote instabiliteit, zich moeten richten naar de uitkomsten niet van één jaar alleen.

Het is intusschen duidelijk dat er heel wat meer moet gebeuren. Dit brengt mij tot eene prealabele opmerking, die op een geheel ander terrein ligt. Boven in par. 21 besprak ik de bewering, dat Indië door de uitheemsche ondernemingen zou worden gedraineerd en wees ik op het onhoudbare er van. Het lijdt m.i. geen twijfel, dat er in den loop van deze eeuw meer kapitaal naar Indië is toegestroomd dan er in den vorm van dividenden en tantièmes uitging. Dit belet evenwel niet, dat er jaarlijks een groot deel van het inkomen nit het land verdwijnt, al komt het er in den kapitaal vorm ruimschoots weer in terug. Dit verschil in vorm, waarin geldswaarden het land verlaten en er weer in terugstroomen, moge er voor de Indische maatschappij niet zooveel toe doen, voor de schatkist brengt het een belangrijk nadeel. Men heeft dit, zij het ook op minder juiste wijze, omdat men eenmaal vastzat in de dwaling, dat die belasting een onderdeel eener inkomstenbelasting is of zijn kan, in beginsel erkend, toen men bij de regeling van de overwinstbelasting, in art. 24, lid 1, lett. a, verschil maakte tusschen de tantièmes van in Indië zelf en elders wonende tantièmisten. De op«ichzelf juiste, hoewel niet geheel rationeel toegepaste gedachte, welke daaraan ten grondslag ligt, kan beter tot haar recht komen. .

Voor een klein deel wordt er reeds rekening mede gehouden in de dividend- en tantième-belasting en geschiedde dit in de Nederlandsche oorlogswinstbelasting. Maar het denkbeeld kan, dunkt mij, nader worden uitgewerkt. Voor zoover dividenden en tantièmes door buitenlanders worden getrokken, kan de Indische fiscus, nadat hij door de zakelijke vennootschaps-(uitkeerings-) belasting bij de bron op zijn deel beslag heeft gelegd, die inkomsten niet verder achterhalen. En het zou verkeerd zijn, indien hij er pogingen toe deed. Immers de buitenlandsche aandeelhouders en tantièmisten hebben ook te rekenen met de belastingen in hun eigen land. Elke extra-belasting in Indië zou hun geneigdheid om hun kapitaal en

63. Financieele verhouding Nederland en Indië.

Sluiten