Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdient derhalve ernstige overweging ook aan de financieele verhouding tusschen Nederland en Indië de vereischte aandacht te schenken.

Een goede maatstaf voor de verdeeling der belasting over de hier bedoelde inkomensdeelen tusschen beide landen is moeilijk aan te geven, maar in een dergelijk geval komt men aan de billijkheid het meest nabij door het stelsel van halveering toe te passen, m. a. w. door bij de wet te bepalen, dat de helft der in Nederland geheven belasting van het in Indië verworven inkomen aan dit land wordt gerestitueerd. Dit denkbeeld moge voor de Nederlandsche schatkist, vooral in den tegenwoordigen tijd, niet zeer aanlokkelijk zijn, maar het rust op hetzelfde beginsel als in de gemeentewet voor de forensenbelasting is erkend . Daarbij komt, dat, als de Indische schatkist in moeilijkheden komt te verkeeren, de Nederlandsche haar toch nolens volens moet bijspringen.

Voor de uitvoering van dit denkbeeld zou men moeten nagaan, welk deel van het in Nederland aangeslagen inkomen, resp. vermogen, uit Indische ondernemingen wordt getrokken, resp. in Indische ondernemingen is belegd, en welk deel van de belastingen op het inkomen en het vermogen uit dien hoofde in de Nederlandsche schatkist vloeit. Natuurlijk zal men dit niet op een goudschaaltje kunnen afwegen, maar de administratie beschikt over genoegzame gegevens om deze splitsing met een voor het doel voldoenden graad van juistheid te maken.

Hoewel de gegevens waarover ik beschik groote lacunes hebben, meen ik toch wel ten naasten bij te kunnen aangeven, welke bate de uitvoering van dit denkbeeld in normale jaren aan de Indische schatkist zou afwerpen.

Volgens de officieele statistiek bedroeg het inkomen der physieke personen in Nederland in het dienstjaar 1919/20 (berekend over het nog niet zoo abnormaal gunstige jaar 1918) rond ƒ2.000 millioen. Op grond van gegevens over degroote meerderheid der in Nederlandsch-Indië werkende vennootschappen, werd op het Bureau van den Ondernemersraad berekend, dat door die vennootschappen over de laatst bekende tien jaar gemiddeld jaarlijks f 220 millioen aan dividend werd uitgekeerd. Men grijpt dus wel niet te hoog. wanneer men het bedrag aan dividenden alleen voor alle vennootschappen stelt op f 250 millioen en aan dividenden en tantièmes, alsmede aan salarissen van elders gevestigde doch in dienst van Indische ondernemingen werkzame personen stelt op rond ƒ 300 millioen. Wanneer men voorts aanneemt, dat hiervan 2/3 gedeelte of / 200 millioen door Nederlandsche ingezetenen wordt genoten, rekent men wel niet te optimistisch. Men komt op deze manier tot de conclusie, dat van het Nederlandsche belastbaar inkomen ongeveer 10% in Indië wordt verworven. Deze 10% maken hoofdzakelijk deel uit van de grootere inkomens met een hoog belastingpercentage en het is alweer niet te veel naar Indië toe gerekend, wanneer men aanneemt, dat zij voor ten minste 20 % in de opbrengst der belastingen naar het inkomen deelnemen. Voor het Nederlandsch vermogen en het deel ervan, dat in

Sluiten