Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64. Vennootschaps belasting.

Indische waarden is belegd kan men eene overeenkomstige redeneering volgen.

De opbrengst van de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting en de verdedigingsbelastingen bedroeg in het dienstjaar 1919/20, dus over de uitkomsten van het kalenderjaar 1918, rond ƒ 150 millioen. Er voorzichtigheidshalve van uitgaande, dat ook dit cijfer hooger is dan waarop in normale*jaren mag worden gerekend, stel ik de gezamenlijke opbrengst der genoemde belastingen voor een normaal jaar op niet hooger dan ƒ 120 millioen. Hiervan komt dan 20 % of ƒ 24 millioen als belastingopbrengst uit inkomens- of vermogensdeelen, die in Indië zijn verworven of aldaar zijn belegd.

Sedert de gemeentewet de forensenbelasting kent, kan de Nederlandsche wetgever moeilijk de billijkheid ontkennen van het afdragen van een deel yan die belastingopbrengst aan het werkland. Mocht het door mij ter overweging aangeboden denkbeeld om die opbrengst te halveeren worden gevolgd, dan zou de Indische schatkist dus uit dezen hoofde op een jaarlijksche bate van gemiddeld ƒ12 millioen kunnen rekenen.

Na deze prealabele opmerking van meer algemeenen aard kom ik tot de Indische belastingen zelve. Hoe ik over de drie belastingen, die er van de naamlooze vennootschappen geheven worden, denk en waardoor zij m. i. moeten worden vervangen, heb ik reeds in den breede uiteengezet.. Hetzelfde geldt voor de uitvoerrechten op ondernemingsproducten en voor de productenbelastingen.

Toch moet ik nog een oogenblik stilstaan bij de door mij aanbevolen vennootschapsbelasting. Deze zou in eene proportioneele uitkeeringsbelasting zijn om te zetten en dan in hoofdzaak op denzelfden leest kunnen worden geschoeid als de Nederlandsche dividend- en tantième-belasting. Bij de regeling zou de Indische wetgever zijn voordeel kunnen en moeten doen met de hier te lande verkregen ervaring Speciaal op één punt zou een afwijking van de Nederlandsche regeling overweging verdienen. Volgens art. 11 van de Nederlandsche wet, mag de vennootschap de tantième-belasting niet voor eigen rekening nemen, maar moet zij die ten laste der tantièmisten persoonlijk brengen.

Bij het ontwerpen van die bepaling was het den voorsteller niet onbekend, dat daarmede eenigszins werd afgeweken van hetstreng zakelijk karakter der heffing. Hij stapte over dat bezwaar heen uit overweging, dat aandeelhouders zoolang de zaken hunner vennootschap goed gaan, in den regel slecht voor zichzelf zorgen, en dat - zonder de bedoelde bepaling - ook de tantièmebelasting indirect op hen zou neerkomen. In de praktijk is er van die bedoeling intusschen in een aantal gevallen weinig terecht gekomen en in de toepassing is de bepaling heel lastig gebleken.

Trouwens de zaak zal in Indië anders worden gevoeld. Daar zal -bij invoering eener uitkeerings-(dividend-en tantième-)belasting - niet een bestaande heffing

Sluiten