Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68. Opcentenheffing.

^meenten zelve geheven worden, zoodat de belasting van Rijk en gemeenten ïamen hier te lande 8.15% beloopt, welk percentage door de gemeenten tot ten aoogste 9.05 % kan worden verhoogd. Maar ik erken op de gronden die ik boven in par. 18 ontwikkelde, dat het in een koloniaal land en gegeven de hooge uitgaven, die de regeering er, zelfs bij de grootste zuinigheid en de verst mogelijke inkrimping der overheidsbemoeiing moet doen, niet wel anders kan of de zakelijke belasting op het bedrijf moet er hoog zijn. Maar wel wil ik er met nadruk voor waarschuwen niet hooger te gaan, wil men niet het bedenkelijke resultaat bereiken, dat het vreemde kapitaal wordt afgeschrikt en daarmede aan de algemeene ontwikkeling der bevolking en de verhooging van haar levenspeil een der voorshands meest onmisbare voorwaarden wordt onttrokken.

Of de opbrengst van zulk een proportioneele uitkeeringsbelasting hooger of lager zou zijn dan die van de drie thans van de vennootschappen geheven wordende belastingen is niet met eenige zekerheid te zeggen. In de officieele statistieken wordt de opbrengst der inkomstenbelasting niet gesplitst naar gelang zij van natuurlijke of van rechtspersonen komt. Men moet dat cijfer dus langs een omweg en met enkele onderstellingen trachten te benaderen. Volgens de officieele gegevens bedroeg voor 1917 de inkomstenbelasting in Indië ƒ 15, de bedrijfsbelasting ƒ13 millioen. Voor 1922 werd de opbrengst der inkomstenbelasting zonder opcenten geraamd op ƒ 48 millioen. Indiende verhouding in 1922 dezelfde is gebleven als in 1917, dragen zij die vroeger in de bedrijfsbelasting waren aangeslagen hierin bij 13/28 of rond ƒ 22 millioen. In welke verhouding in de overblijvende ƒ26 millioen wordt bijgedragen moet ik, bij gebreke van gegevens, gissen. Ik neem aan dat dit ongeveer 25 % of rond ƒ 6.5 millioen beloopt. De vennootschappen zouden dan in het voor 1922 geraamde bedrag ƒ 19.5 millioen bijdragen. Op grond van de cijfers genoemd in par. 63 is het bedrag der dividenden en tantièmes van naamlooze vennootschappen voor normale jaren te stellen op ten minste ƒ 275 millioen. Werd hiervan ) 0 °/„ geheven, dan zou de uitkeeringsbelasting dus opleveren ƒ 27.5 millioen. Het is derhalve waarschijnlijk dat zulk een heffing in normale jaren ongeveer ƒ8 millioen meer zou opleveren dan het bedrag waarop de opbrengst van de drie thans geheven wordende belastingen voor 1922, zonder opcenten, wordt geraamd en dat zij een compensatie zou opleveren, zoowel voor hoofdsom en 20 opcenten van die drie „inkomstenbelastingen", als voor een deel van de opbrengst der productenbelastingen en der uitvoerrechten op producten van ondernemingen.

Ik gevoel mij gedrongen hieraan een waarschuwend woord vast te knoopen naar aanleiding van het voornemen uitgedrukt in dejongste openingsrede van den Volksraad, uitgesproken door den Gouverneur-Generaal, waarin Z. E eene heffing op de inkomstenbelasting van 1 Januari 1922 af aankondigt tot een bedrag

Sluiten