Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dertig en twintig opcenten respectievelijk voor natuurlijke en rechtspersonen. Niet het minst de bijvoeging, dat „deze opcenten zeer waarschijnlijk blijvend moeten zijn, om nader in de inkomstenbelasting te worden verwerkt", stemt tot ongerustheid. Opcentenhefflng is als regel alleen een toelaatbaar middel van belastingheffing voor lagere staatsorganen (provinciën en gemeenten), diedaarbij aan zekere wettelijke regelen zijn gebonden. De Staat zelf mag de opcentenhefflng op zijn eigen belastingen niet in zijn belastingstelsel ter sluitend making (in casu ter declareering van een lager nadeelig slot) van zijn begrooting opnemen. Onder bepaalde omstandigheden kan het tijdelijk gewettigd zijn, dathet Rijkter bestrijding van een speciale, plotseling noodzakelijk wordende ujtgaaf opcenten op een of meer rijksbelastingen heft. Hierbij denk ik bijv, aan de in 1914 in Nederland op verschillende belastingen gelegde opcenten ten behoeve van het Leeningfonds. Maar de opcenten te verheffen tot sluitpost van de begrootingis eeneven gevaarlijk als verleidelijk bedrijf, dat bovendien in zijn gevolgen bedenkelijker is, naar gelang de belasting, waarop zij geheven worden, meer aan gerechtvaardigde critiek blootstaat. Hoezeer dit laatste het geval is met de Indische „inkomstenbelasting" op naamlooze vennootschappen is uit de voorafgaande principieele en technische critiek op die belasting voldoende uitgekomen.

Een heffing van opcenten op een belasting, waaraan zulke groote en zoo verschillende fouten kleven, verscherpt ten zeerste de onbillijkheden, waartoe deze voeren en kan dan ook niet ernstig genoeg ontraden worden. Voor het jaar 1922 is het kwaad niet meer te verhelpen, maar voor de volgende jaren behoort het vermeden te worden.

Na mijn uitvoerige critiek op de productenbelasting en de uitvoerrechten op 69. Speciale heffingen producten van ondernemingen zou ik het onnoodig achten op de outoelaatbaarheid van speciale heffiogen naast een algemeene winst-of uitkeeringsbelasting terug te komen, ware het niet, dat de rede van den Gouverneur-Generaal, ter opening van den Volksraad uitgesproken in Mei 1922, ook op dit punt aanleiding geeft tot ongerustheid.

Daarbij stel ik nogmaals voorop, dat niet alleen de bestaande productenbelastingen en de uitvoerrechten op producten van ondernemingen uiterlijk met het einde van 1922 behooren te verdwijnen, maar dat zij ook niet door andere speciale belastingen moeten worden vervangen. Naast eene algemeene winst-of uitkeeringsbelasting is er voor speciale heffingen van de eene of andere categorie van ' vennootschappen alleen plaats, waar bepaalde overheidsuitgaven voor bijzondere groepen van ondernemingen of personen speciale voordeelen afwerpen. Het kan billijk zijn tegenover zulke bijzondere voordeelen een bijdrage te vorderen in de kosten van den dienst of de staatsinstelling, die ze oplevert. Maar afgezien van dergelyke retributies is er voor bijzondere heffingen van de winsten van bepaalde

Sluiten