Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wii zijn van meening dat - indien het persoonlijk dan wel het zakelijk karakter van de van naamlooze vennootschappen, welke elders zijn gevestigd, geheven wordende inkomsten -belasting afhing van het criterium, dat in de boven weergegeven redeneermgen als toetssteen werd aangelegd - de fiscus van zijn standpunt niet zou behoeven af te zien. Toch zijn wij van oordeel dat de opvatting als zoude van in Ned.-Indië werkende naamlooze vennootschappen geheven wordende >komsten"-belasting een persooiüijke en niet een zakelijke, met de verponding in aard overeenstemmende, zijn, niet wel is vol te houden.

De vraag, welk karakter aan een zoogenaamde inkomstenbelasting van naamlooze vennootschappen toekomt, is, zoowel in de stukken welke tusschen verschillende regeeringen State* Generaal werden gewisseld als bij mondelinge beraadslagmgen in de beide Kamers, herhaaldelijk

terinSIdea MemorTTan Antwoord van Januari 1908 betreffende het ontwerp van wet tot heffing eener inkomstenbelasting schreef Minister de Meester op blz. 36/36:

Zal men, wanneer de vermogens- en beclrijfsbelastingen worden vervangen door een „inkomstenbelasting" op grond dat deze belasting een persoonlijke is en dte op de dtmdenden "een gelijke, de laatste regelen bij afzonderlijke wet? Vermijding van den schijn, als zouden de inkomsten uit vennootschappen dubbel worden getroffen, kan daarvoor naar het voo komt niet als motief gelden; de grondbelasting immers is geregeld by afzonderlnke wet, maar dit feit is niet van invloed gebleken op de meening van hen diefde inkomsten uit vast goed zouden wenschen vrijgesteld te zien van de inkomstenbe astmg Hiefwordt dus de dividendbelasting niet alleen erkend als een zakehjke belasting maar ook uitdrukkelijk genoemd als in aard overeenstemmende met de - m Ned. Indie nog onder den naam van verponding bekend staande — grondbelasting. Even later verklaart dezelfde bewindsman (op blz. 36): >

Om bijzondere redenen moge er in enkele gevallen aanleiding zijn ook een zakelyke b laMing als deze (nam. als de belasting der naamlooze vennootschappen) progressief te

Zer/prbcipTeël werd de zaak behandeld door den Minister Kolkman in de Memorie ™n ToehchC van het jaar 1911 bij zijn ontwerp van wet tot heffing eener mkomstenbelastmg. On blz 10 schreef deze bewindsman: . P Onder inkomen verstaat men, in het kort, het bedrag waarover iemand in een bepaald tijdvak kan beschikken ter voorziening in zijne levensbehoeften Alleen physieke personen kunnen dus een inkomen hebben en dienvolgens subjecten der inkomstenbelasting zijn.

Ooi in dit opzicht is de practijk verder gegaan dan de theorie door vereenigingen met een Lnomisch doel, tot fiscale eenheden te maken en als zoodanig aan de belasting te ondemerpen, voor zooveel zij op het grondgebied van den Staat gevestigd zijn (anologie mtrwoonplaats der natuurhjke personen). ^J^^^^^S^ geen reden om aan het woord „inkomen" eene ruimere beteekenis te geven. Het inkomen fs ob£t der belasting, omdat het beschouwd wordt als maatstaf van draagkracht en, zal 1 besluwing niet Jheel uit de lucht zijn gegrepen, dan is het noodig dat degeen die gezegd wordt een inkomen te genieten, werkelijk - dat is voor zich zeiven - geniet. Dit nu lfniThet geval met eene der bedoelde vereenigingen van personen, onverschillig onder welke^dtST.de personen zich hebben vereenigd. De vereeniging heeft geen eigen IeD zij maakt win t niet voor zich zelve, doch voor hare leden (vennooten aandeelhouders). De opbre™5t van haar bedrijf is bestemd te worden verdeeld; zij valt dan uiteen in bedragen, die deel gaan uitmaken van het mkomen der leden .

Sluiten