Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE IV.

's-Gravenhage, 23 Januari 1922.

Aan Zijne Excellentie

den Heer Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. BUITENZORG.

Excellentie,

Nadat ons schrijven van 13 Januari 1922 betreffende de toepassing van het 4e lid van art 83 van de Ordonnantie van 19 Mei 1921, Indisch Staatsblad 312, was verzonden, ontvingen wij bericht, dat de Indische belasting-autoriteiten de bewuste alinea van art. 83 der Ordonnanüe aldus opvatten, dat onder „buitengewone omstandigheden» behalve staking van een beroep of bedrijf ontslag uit een ambt of bezoldigde betrekking, alleen zouden zijn te verstaan „gevallen van brand of andere rampen van Hooger Hand".

Het wil ons voorkomen, dat het ons verstrekte bericht moeilijk juist kan zijn. Het is toch duidelijk, dat deze interpretatie met de bewuste bepaling der Ordonnantie met is overeen te brengen en deze beperkt binnen engere grenzen dan waarvoor zij is geschreven.

Nadat in het 4e lid de mogelijkheid van ontheffing van de belasting in buitengewone omstandigheden is geregeld, bepaalt het 7e lid, dat de ontheffing „ui gevallen van brand of andere rampen van Hooger Hand op den voet van het 4e lid ook kan worden verleend zonder dat zij is aangevraagd".

Het is dunkt ons duidelijk, dat men in het 7e lid heeft bepaald, dat in enkele daar speciaal genoemde buitengewone omstandigheden, die blijkbaar als van bijzonder ernstigen aard worden beschouwd, de ontheffing ook ambtshalve kan worden verleend.

Maar bij een gezonde interpretatie kan toch moeüijk uit het feit dat in bepaalde genoemde omstandigheden ambtshalve ontheffing verleend kan worden, afgeleid worden, dat de andere bmtÏÏewone omstandigheden, waarin volgens het 4e lid ontheffing op verzoek kan plaats hebben, niet in aanmerking zouden komen.

Indien dit werkelijk de opvatting van de belasting-administi-atie is, gelijk ons werd medegedeeld scW zij ons in zoo flagrlen strijd met de bedoelde bepalingen der Ordonnantie m verband met'elkander genomen,It wij niet betwijfelen, of Uwe Excellentie zal in dat geval bereid zijn door een aanschrijven aan die met het wettelijk voorschrift niet strookende opvatting een einde te maken.

Met verschuldigde hoogachting hebben wij de eer te zijn,

De Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië, (w. g.) TREUB. (w. g.) A. G. N. SWART.

Sluiten