Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE V.

's-Gravenhage, 21 Maart 1922.

Aan Zijne Excellentie

den Heer Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie. BUITENZORG.

Excellentie,

De Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië, goedgekeurd bij K. B. van 27 December 1921 INo 6 heeft het in het belang zijner leden geacht, de circulaire, waarvan een afschrift hiernevens gaat, tot hen te richten, ten aanzien van de toepassing van art. 25 c van de Ordonnantie op de herziene Inkomstenbelasting 1920. p

Na de toelichting welke in die circulaire is vervat, behoeft hij niet in den breede de voordeelen van het stelsel dat hij aanbeveelt ook voor den fiscus, uiteen te zetten. Toch meent hij de aandacht van Uwe Excellentie nog in het bijzonder bp enkele punten te moeten vestigen

Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat alleen die kapitaalsverhoogingen uit openlijke of stille reserves, die op 31 December 1919 nog aanwezig waren, voor de toepassing van art 25 c, m aanmerking komen, zou men bij het volgen van het in 1908 toegepaste stelsel moeten overgaan tot een inventarisatie, indien men tot een aan het doel beantwoordend resultaat wilde komen. Het is wel duidelijk, dat dit niet mogelijk is en ook niet in de bedoeling kan liggen vooral wanneer men bedenkt, dat in 1922 zou moeten wordên geïnventariseerd, wat op 31 December 1919 aanwezig was! Zonder zulk een inventarisatie bereikte men echter langs denbewusten weg het doel met. Dit kan door een voorbeeld gemakkelijk worden verduidelijkt. Gesteld er werd door eene onderneming een machine aangeschaft met een normalen levensduur van 15 jaar waarop jaarhjks 7% werd afgeschreven. Na 5 jaar echter wordt een nieuwere veel voordeeliger machine aangeschaft en de verouderde voor oud ijzer verkocht. Wanneer nu niet uit eene inventarisatie wordt geconstateerd dat deze machine verdwenen is, komt zij bij een stelsel van kapitaals-aantoomng volgens normale afschrijvingspercentages op haar aanschaffingskosten toch nog voor een deel m aanmerking, indien zij werd aangeschaft na 1 Januari 1905

In dat stelsel zal de administratie bovendien niet kunnen ontkomen aan de consequentie van hetgeen op 31 December 1919 wel aanwezig was, bij de kapitaalsaantooning toe te laten voor zijne werkelijke waarde, voor zoover deze de bedragen der affectieve stortingen niet overtreft.

Op 31 December 1919 nu waren de prijzen, niet alleen van producten, maar ook van gebouwen machinerieën en andere hulpmiddelen der ondernemingen, vrijwel topprijzen. Wanneer men met dit feit voor oogen het stelsel van de waardeering van afschrijvingen en stille of openlijke reserves, dat in 1908 werd toegepast, en dat destijds tot zoovele, vaak vrijwel onoplosbare moeilijkheden aanleiding gaf, thans opnieuw volgde, zou de uitkomst voor den fiscus bovendien nog minder voordeelig zijn dan bij die van het door onzen Raad aanbevolen stelsel. Immers men kan wel van te voren nagaan, dat, al zouden onder normale omstandigheden de machinerieën enz. in verschalende gevallen" meer in waarde zijn teruggegaan dan overeenkomt met de afschrij-

Sluiten