Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE VI.

's-Gravenhage, 20 Maart 1922.

Aan Zijne Excellentie

den Heer Gouverneur-Generaal van Ned.-Indië. BUITENZORG.

Excellentie,

De Ondernemersraad voor Nederlandsch-Indië, waarvan de Statuten zijn goedgekeurd bij KB van 27 December 1921 No. 6, gevoelt zich gedrongen Uwe Excellentie te verzoeken het daarheen te leiden, dat de Ordonnanties van 9 October en 20 December 1921 betreffende den voorloopigen aanslag m de Suikerbelasting en de Inkomstenbelasting niet ongewijzigd worden gehandhaafd.

Zooals deze Ordonnanties thans luiden, geven zij aan de belastingplichtigen niet de waarborgen waarop deze naar billijkheid aanspraak kunnen maken.

Het denkbeeld van het opleggen van voorloopige aanslagen kwam het eerst naar voren toen hier te lande bij KB. van 9 Juli 1920 een wetsontwerp betreffende dat onderwerp werd ingediend Dat ontwerp, waarbij er van werd uitgegaan, dat de voorloopige aanslag niet hooger zou zijn dan die over het vorig belastingjaar, vond in de Tweede Kamer der Staten-Generaal ernstige bestrijding. In het V.V. wordt er op gewezen, dat voorloopige aanslagen, waarvan niet van te voren vaststaat, dat de belastingplichtige er mee actoord gaat, onbilhjk moeten werken

„Men achtte het met oirbaar" — zoo wordt in het bedoelde V.V. gezegd — dé belasting betalers te vellichten, wellicht onverschuldigd, groote bedragen aan den fiscus "af te dragen • bedragen welke zij wellicht eerst na geruimen tijd zouden kunnen terug erlangen, zelfs zonder dat hun daarbij renteverlies en eventueele andere schade zouden worden vergoed. Dit bezwaar scheen van te meer beteekenis, waar het middel van hooger beroep tegen den voorloopigen aanslag m het wetsontwerp ontbreekt".

Door vele leden werd in verband met de geopperde bezwaren opgemerkt, dat „indien aan het stelsel van voorloopige aanslagen zou moeten worden vastgehouden, de eenig bruikbare grondslag zou zijn de eigen aangifte van den belastingplichtige".

De bezwaren tegen het wetsontwerp gelijk het aanvankelijk luidde, gaven den thans in functie zijnden Minister van Financiën aanleiding het te wijzigen overeenkomstig de door vele leden van de Kamer gemaakte opmerking. Het gewijzigd ontwerp, dat op 13 Januari 1922 tot Wet werd verheven, en onder No. 9 in het Staatsblad werd geplaatst, is zeer kort en kon zeer kort zijn Art. 1 luidt: J

„In afwachting van de vaststelling van den aanslag in eenige directe belasting, kan aan den belastingplichtige, die een aangifte heeft gedaan, èen voorloopige aanslag overeenkomstig de aangifte worden opgelegd".

Geheel in overeenstemming met deze regeling is de Ordonnantie van 10 Juni 1921 waarbij de mogelijkheid werd geopend voor de Indische Oorlogswinstbelasting een voorloopigen aanslag

Sluiten