Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

constateeren thans alleen, dat er omtrent de houding van Frankrijk bezwaarlijk twijfel kon bestaan. Op Duitschland s vraag naar Frankrqk's plannen ingeval van een oorlog met Rusland, werd alleen geantwoord, „dat het zou doen wat zijn belangen zoudetfeischen". Tusschenkomst van Engeland, op Duitscntand's verzoek, om Frankrijk te vragen £cutraal *e bWven, in welk geval Duitschland beloofde het met te zullen aanvallen, was vruchteloos.

De weinig vriendschappelijke gevoelens tusschen pmtschland en Frankrijk waren trouwens sedert lang bekend. In November 1913 had Koning Albert van België te Berlijn een langdurig gesprek met den -Uuitechen Keizer m tegenwoordigheid van den chef van den generalen staf von Moltke, dat op eerstgenoemde een diepen indruk gemaakt had. De Keizer, wiens bepaald vredelievende gezindheid bekend was en voor den Belgischen Koning vaststond, bleek toen zeer veranderd. Hij was blijkbaar tot de overtuism£ ë^omen, dat een oorlog met Frankrijk onvermijdelijk was.

De spjbning tusschen andere leden van de Tnple Alliantie en de Entente had dan ook natuurlijk het gevolg, dat de verhouding tusschen Duitschland en Frankrijk op vijandschap uitliep.

De oud-president der Fransche republiek, Raymond Poincaré, doet omtrent het ontstaan van den oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland authentieke mededeelmgen, in een in 1921 verschenen geschrift. Hij verklaart dat zijn regeering op de vraag van den toenmaligen Duitschen gezant te Parm von bchoen, met had kunnen antwoorden, dat het land neutraal zou blijven, omdat dit inderdaad verraad plegen jegens den bondgenoot, Rusland, geweest zou zijn. En men had ook niet kunnen zeggen, dat Frankrijk dien bondgenoot zou ondersteu-

Sluiten