Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

althans sommige forten op zich zélf tot 17 Augustus wisten stand te houden, kan moeilijk worden beweerd, dat deze termijn niet aanzienlijk verlengd had kunnen worden, indien België daarvoor zijn veldleger had ingezet en Frankrijks hulp had kunnen afwachten.

Het Belgische,officieele Verslag noemt den aanval op 6 Augustus, van de in Luik doorgedrongen afdeeling van 50 man onder een hoofdofficier, een „poging tot moord" op 2 officieren en 8 ruiters. Deze qualificatie is onjuist en misplaatstniiet was een volkomen geoorloofde oorlogsdaad, stoutmoedig, ja vermetel van aard; een krijgslist om het stellingkwartier te verrassen. Dat Belgen deze Duitsche^ifmilitairen voor Engelschen aanzagen, omdat ze mutsen droegen en de hoofdofficier Engelsch sprak, hun zelfs den weg wezen, kan aan niemand dan aan die Belgen worden geweten.

Generaal Ludendorff schrijft in zijn „Kriegserrnmerungen," dat reeds in de allereerste dagen van den oorlog, toen de troepen van het Maasleger nog in opmarsch naar Luik waren, bleek van deelneming aan de vijandelijkheden door de civiele bevolking. Later, toen de Duitsche legers verder in België doordrongen, zijn diep betreurenswaardige feiten geconstateerd; doordien burgers, mannen en vrouwen, zelfs ook geestelijken, wreedheden pleegden aan Duitsche zieken en gewonden; aan Duitschers die men ten eten vroeg en dan onverhoeds neerschoot, aan soldaten, die, men in bed den hals afsneed, enz.

Wij hebben de schending der Belgische onzijdigheid in de voorafgegane bladzijden onvoorwaardelijk veroordeeld, en met alle kracht die in ons is, afgekeurd. Wij doen dit thans eveneens ten opzichte van gruweldaden, wreedheden, brandstichtingen, enz. door Duitschers in België begaan.

Sluiten