Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ons oordeel omtrent het door Belgen verraderlijk vermoorden van Duitsche militairen, die op dat oogenblik feitetijk weerloos waren, moet eveneens stellig en beslist afkeurend luiden. Die militairen waren persoonlijk onschuldig aan, mochten niet aansprakelijk worden gesteld voor het onrecht, de misdaad, door hun regeering en hun legerbestuur op het Belgische volk gepleegd. Het laaghartig afmaken door sluipmoord van weerlooze militairen van een vijandelijk leger, is in flagranten strijd met de wetten van eerlijkheid en ridderlijkheid, die ook in de krijgsgebruiken moeten worden gehuldigd, en waarvan ieder rechtschapen en weldenkend mensen de naleving moet eischen. Het kan niet anders dan verraderlijk en misdadig worden genoemd, wanneer burgers, mannen of vrouwen, zich tegenover weerlooze militairen, al behooren die tot een vijandelijk leger, daaraan schuldig maken. En de onafwendbare gevolgen er van zijn, dat wraakzucht en volkshaat voedsel vinden, dat het plegen van wreedheden en gruweldaden toeneemt en dat het kwaad hoe langer hoe erger wordt. Wij hebben over dit onderwerp meer breedvoerig onze zienswijze ontwikkeld, in onze reeds hiervoren vermelde opstellen: „Ervaringen uit den Wereldkrijg," in den Tijdspiegel van 1917, en wij komen er in dit werk niet meer op terug.

Maar waar ons van hoogstaande, zéér beschaafde en ontwikkelde zijden werd toegevoegd, dat het „juist" was geweest, dat de Belgen, ook burgers, zóó velen van de Duitsche invallers neerschoten, feitelijk: „afmaakten," als ze maar konden, ja, dat in den oorlog „humaniteit" eigenlijk een onding is, mogen wij niet nalaten tegen dergelijke opvattingen hier nogmaals een woord van ernstig protest te doen hooren.

Sluiten