Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STROO —

stroo : in s. gewikkeld: straw-enveloped.

stroobord: straw-board.

stroohuls: straw envelope.

strook papier: slip of paper.

strookarton: strawboard.

strooken: niet met iemand's belangen s.: to run counter to a person's interests. — met iemand's belangen s.: to suit (= promote) a person's interests.

stroom: current. — het schip moet op s. lossen: the vessel must discharge midstream.

stroopapier: straw-paper.

stuk: instrument *. — verhandelbaar s.: negotiable instrument. — officieel s.: official document. — s. van waarde: valuable document. — verdisconteerbaar s.: discountable effect. — een s. laken: a length of cloth. — aan het s. verkoopen: to sell by the piece. — aan het s. ziet deze serge er nog niet zoo kwaad uit: the serge looks right enough in the piece. — op s. werken: to work by the piece. — per s.: by the piece. — per s. verkoopen : to sell singly. — 6d per s. : sixpence each.

stukgoederen: general cargo; general merchandise. — lading s.: general * cargo. — tarief voor s.: berth rates. — een op s. geladen schip: a general ship.

stukkenhuur: backwardation. stuksgewijze verkoopen: to sell by the piece (= by retail = singly).

TARIEF

stukwerker: piece-worker.

stuurman: mate.

stuwadoor: stevedore.

stuwage: stowage *; dunnage. — van

s. materialen voorzien: to dunnage. stuwen: to stow. — slecht s.: bad

stowage. stuwer: stevedore. stuwloon: stowage'*. stuwmat: dunnage mat. stuwplan: plan of stowage. stuwplank: shifting board, subagent: sub-agent, subcommissie: sub-committee. succes hebben: to be successful; to

meet with success. — geen s. hebben:

to meet with no success; to fail flat. successierecht: legacy duty. succursale: branch establishment ;

branch bank. supercarga: supercargo, superdividend: bonus, superieure kwaliteit: superior quality. suppleeren: to pay the margin *. suppoost (van de Beurs): waiter. surplus: cover; collateral security. surrogaat: substitute. surseance van betaling: suspension of

payment. s. v. p.: please.

syndicaat: ring *; syndicate; combine;

underwriter. — tot een s. vereenigen:

to syndicate. syndiceeren: to underwrite; under-

writing.

taak: task; duty.

taal: de Engelsche t. goed meester zijn : to have a good knowledge of English; to be well up in (= to be proficient in = to be conversant with) English.

tabak: tobacco. — t.scultuur: tobaccogrowing. — t. plantage: tobaccoplantation. — tsplanter: tobaccogrower. — handel in t.: tobaccotrade. — hij is in de t.: he is in the tobacco-trade.

tabel: return*; Schedule; table.

tak van kandel: branch of trade. —

t. van nijverheid: branch of industry.

tal van bezwaren: a great many objections.

tallooze klachten: unending (= no end

of) complaints. talon: talon; counterfoil. talrijk: numerous. tamelijk: rather; fairly. tank wagen: tank waggon. tantième: percentage; share in the

profits; bonus, tarief: postage; tariff; freight (ta-

riff); rate. — t. voor stukgoederen:

Sluiten