Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geelkoper met gedreven bloemornament, daaronder twee scherpe ringen. De scheede van grijsbruin hout, met afzonderlijk, weinig uitstekend schoentje. Mondstuk van roodbruin hout, als voren. Z.

L. lemmet 33,5, br. 6, 1. greep 8, 1. scheede 39, br. 4,5—14 cM.

37/225. Kris, als voren, het lemmet fraai gedamasceerd, de sneden beitelvormig geslepen *), met gandja. De greep als voren, steelring van geelkoper, komvormig, met ingesneden schuine en zigzagstrepen. Scheede van geelbruin hout, het ondereinde boven den schoen met rotanreepen omwikkeld. Mondstuk van gepolijst lichtbruin hout, als voren. Z.

L. lemmet 37,5, br. 8, 1. greep 8, 1. scheede 41,5, br. 4—15 cM.

964/24. Als voren, het lemmet goed gedamasceerd in golfpatroon. Greep in den vorm van een hondepenis, de steelring met vijf paarlbanden. Scheede en huis uit één stuk bruin hout, boven den schoen met zwarte reepen omwoeld, beneden het huis met gebloemd katoen, waaronder een katoenen gordellus is bevestigd, wier boveneinde met koperdraad omwoeld is. Z.

L- 37)4i !• lemmet 29,4, br. 7,1, 1. greep 10,7, 1. scheede 31,5, br. 4,6—13,5 cM.

964/21. Als voren, het lemmet en de greep overeenkomende met die van n». 24, doch de steelring schotelvormig met diep gekartelden rand en daaronder een tweede gekartelde rand. Scheede en huis als voren, doch boven den schoen en onder het huis eene omwinding van zwarte reepen. Zonder gordellus. Z.

L. 43, 1. lemmet 36,2, br. 7,6, 1. greep 9,3, 1. scheede 36, br. 4,6—15,2 cM.

1599/610. Als' voren, het lemmet overeenkomende met dat van n°. 964/21; een klein deel van den doorn zichtbaar, omgeven door een zilveren ringetje, waarop rijen ingesneden sterretjes. Greep van geel gevlamd hout in den vorm van een gestileerden Garoeda*) met spitsen snavel; steelring van zilver, komvormig, de bovenrand uitgeschulpt en geheel met ingegrift bladornament bedekt. Scheede van bruin hout, met een ingelegd, niet uitstekend stukje geel hout bij wijze van schoen; afzonderlijk mondstuk, schuitvormig, met spitse oploopende einden, aan beide zijden afgerond. Z.

L. lemmet 38, br. 7, 1. greep 8, dm. 2,5, 1. scheede 43,5, br. 3,5—14,5 cM.

1599/614. Als voren, het lemmet als dat van n°. 610. De greep») van bruin hout, dwars op het lemmet staande, gebogen in den vorm van een gestileerden hondepenis (?) met eene afzonderlijke verbinding tusschen het ondereinde en het knopvormige boveneinde; steelring van geelkoper, kegelvormig en è jour bewerkt. Scheede en huis uit één stuk geelbruin gevlamd hout, de schoen ontbreekt. Het huis vlagvormig, aan eene zijde recht afgesneden en aan de andere afgerond. Op eenigen afstand daaronder eene omwinding van rood gekleurd touw, waardoor een lus van touw wordt vastgehouden, die onder de omwoeling in verschillend gekleurde draden eindigt. Z. 6 L. lemmet 31,7, br. 7, 1. greep 8, dm, 2,6, 1. scheede 38,5, br. 3—13,5 cM.

300/398*). Als voren, het lemmet met dat van n°. 1599/614 overeenkomend. De greep minder gestileerd en zonder verbindingsstuk. De steelring van zilver, schotelvormig. Scheede en huis uit één stuk gevlamd lichtbruin hóut. De schoen vooruitstekend, het huis als voren. Onder het huis eene omwoeling met touw, waardoor een zeer lange lus van zilverdraad wordt vastgehouden. Z.

47.5) L lemmet 36,5, br. 7,5, L greep 16, 1. scheede 30, br. 4,5—15,2 cM.

1526/39. Als voren, doch het lemmet effen«). Greep van bruin palmhout, als voren, dwars op het lemmet, met talrijke dwars- en schuine groeven. Geelkoperen, kegel-

1) Vgl. Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 3.

2) Vgl. schmeltz, Ind. Prunkwaffen (ƒ. A. f. E. III), p. 110, fig. 27a.

3) Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XXVII, fig. 9 en ga. — Schmeltz, Ind. Prunkwaffen (/. A. f. E. III), p. 110, fig. 26. — van Hoëvell, Der Kris von Süd-Celebes (I. A. f. E. XVIII), 6a»

4) Cat. Tent. Par. n«. 416.

5) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 1 en 2.

Sluiten