Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladornament, cylindervormig. Scheede geheel met zilver bekleed, waarin een bladornament gedreven is. Mondstuk van gevlamd hout, aan weerszijden afgerond, een bovenhoek oploopend. Z.

L. lemmet 35,5, br. 7, 1. greep 9, 1. scheede 42, br. 2,5—15 cM.

d. Het lemmet gevlamd, de greep van hout in den vorm van een hondepenis.

499/23. Kris, als voren, het lemmet gedamasceerd, met zeven bochten. Bovenaan aan de eene snede een stomp uitsteeksel en een scherpe tand, de gandja aan de andere zijde flauw getand. Greep van bruin hout, in den vorm van een hondepenis 1), doch het boveneinde op Javaansche wijze afgerond. Steelring van geelkoper, kegelvormig, met verdiepingen, waarop reliëf kogeltjes. Scheede van grijsbruin hout met puntig schoentje, daarboven met breede rotanreepen omwoeld. Bovenaan een platgevlochten koord en een grijs draagsnoer. Mondstuk van palmhout, aan eene zijde afgerond, aan de andere recht afgesneden. Z.

L. lemmet 33, br. 7,5, 1. greep 9, L scheede 39, br. 4—15,5 cM.

1505/13). Als voren, het lemmet met dat van 499/23 overeenkomend, doch bovenaan aan de eene snede een getande krul, aan de andere snede en aan den gandja ook tanden. Greep van gepolijst, donkerbruin hout, in den vorm van een hondepenis. Geelkoperen steelring met twee paarlranden. Scheede en huis van bruin gevlamd hout, de eerste met vooruitstekenden schoen en daarboven met een hoornen reep omwoeld in vele dicht aaneenliggende gangen. Koord en draagsnoer als voren, doch met hoornen sluitknoop. Vorm van het huis als voren. Z.

L. 45, L lemmet 31,5, br. 7, 1. greep 6,5, dm. 3,1, 1. scheede 39, br. 3—14,5 cM-

37/2288). Als voren, het lemmet gedamasceerd, met vijf bochten, smal en afgesleten, zonder krul of tanden. Greep van roodbruin hout, de vorm als voren; steelring van geelkoper, flauw gebogen plaatje, door een cylinder met verdikking gevolgd. Scheede en huis van geel hout, met puntig schoentje van bruin hout, daarboven met rotanreepen omwikkeld. Band van blauw katoen, waaronder een rood, gevlochten draagsnoer. Huis als voren. Z.

L. lemmet 24,5, br. 5,5, 1. greep 6, 1. scheede 30, br. 4—13 cM.

1239/171. Als voren, het lemmet fraai gedamasceerd, met zeven bochten, breed. Aan de eene snede een getande krul, aan de andere, evenals aan den gandja, puntige tanden. Greep als voren % van bruin hout; steelring uit twee gebogen geelkoperen plaatjes boven elkaar bestaande. Scheede van bruin hout, zonder schoen. Het mondstuk aan eene zijde afgerond, aan de andere recht, van boven concaaf. Met rood band, waarop geelkoperen plaatjes, is een gevlochten draagsnoer vastgebonden. Z.

L. lemmet 39, br. 8,5, L greep 7, 1. scheede 41, br. 5—15,5 cM.

964/23. Als voren, doch het lemmet met vijftien bochten; bovenaan aan weerskanten van de middellijn een smalle, diepe bloedgroeve en eene daarop volgende, ondiepe, breede langs de bovenhelft. Onder de getande krul twee haakvormige tanden. Greep als voren, steelring van geelkoper met paarlranden. Scheede van geelbruin hout, schoen en huis van lichtbruin hout. Van onderen met gele reepen, van boven met grijs katoen omwikkeld. Gordellus van rood katoen. Huis als voren. Z.

L. ± 46,5, 1. lemmet 39,4, br. 9,4, L greep 6,5; dm. 2,7, 1. scheede 39,5, br. 4,6—15,7 cM.

37/227. Als voren, doch het lemmet met slechts vijf bochten, zonder bloedgroeven, krul, tanden en gandja. Greep als voren, zonder steelring. Scheede6) van geelbruin hout, met puntig schoentje, onderaan met breede. rotanreepen, van boven

1) VgL /. A.f. E. lil, no, fig. 25.

a) Serie 1505 don. G. W. W. C. baron van Hoëvell, Dec. 1905.

3) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 6.

4) I. A. f. E. III, 110, fig. 27^.

5) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 1.

Sluiten