Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

202/2. Kris, als voren, doch de bochten duidelijk. Bovenaan aan de eene zijde een getande krul en twee tanden daaronder, aan de andere zijde flauwe tanden aan de snede en den gandja. Greep als voren, doch van klapperhout. Kegelvormige, geelkoperen steelring met gedreven bladranken en vier paarlranden. Scheede van klapperhout met vooruitstekenden schoen, van boven met katoen omwonden, waardoor de gordelband van rood katoen wordt vastgehouden. Huis zeer breed, van gevlamd, bruin hout, de vorm als voren. Makassar.

L. lemmet 36, br. 7,3, L greep 7,5, dm. 3,2, L scheede 40, br. 4,1—16,2 cM.

16/79. Als voren, doch het lemmet met negen bochten. Bovenaan aan de eene snede een scherpe en twee flauwe tanden, de gandja aan de tegenovergestelde zijde flauw gekarteld. Greep van bruin hout, als voren, doch meer gestileerd, van boven afgerond. Effen, vaasvormige, geelkoperen steelring. Scheede van bruin hout, zonder schoen, het ondereinde met rotanreepen, het boveneinde met rood katoen omwonden, waardoor de gordelband wordt vastgehouden. Huis van zwart hoorn, aan weerskanten driemaal uitgeschulpt, van boven flauw concaaf. Makassar.

L. lemmet 31,5, br. 7, 1. greep 7, dm. 3,1, L scheede 34, br. 4,2—14 cM.

964/25. Als voren, het lemmet goed gedamasceerd in golvend patroon. Bovenaan aan de eene zijde een getande krul en een scherpe tand, aan de andere tanden in de snede en aan den gandja. Greep als voren, doch van zwart hoorn (?), het tonvormige ondereinde door een ringvormig rugje van het boveneinde gescheiden. Schotelvormige, roodkoperen steelring met twee reeksen bolvormige verhevenheden. Scheede en huis van roodbruin, gevlamd hout, de schoen vooruitstekend. Van onderen met zwarte reepen omwonden. De omwinding van boven ter bevestiging van den draagband van rood katoen. Het huis aan weerskanten schuin afgesneden. Z.

L. lemmet 33, br. 6, L greep 7,5, dm. 3,2, 1. scheede 33, br. 3,8—13 cM.

1526/38. Als voren, het lemmet ruw gedamasceerd, met vijf flauwe bochten1). Bovenaan aan de eene zijde een scherpe en twee flauwe tanden, de gandja en de snede daaronder niet getand. Greep van gevlamd palmhout, dwars op het lemmet staande, als voren, onderaan door een zwart hoornen ring begrensd; daaronder een kegelvormige, geelkoperen steelring met drie rijen tanden. Scheede en huis uit een stuk bruin, gevlamd hout, zonder schoen; het huis aan eene zijde afgerond, aan de andere recht afgesneden en met groeve langs den onderrand, de bovenrand concaaf. Onder het huis eene omwikkeling van plat, paars, geweven koord; hierdoor steekt een lus van dik, zwart koord, waaraan met een oog een gordel *) is verbonden. Deze van geweven katoen met groepen van breede en smalle, roode en groene strepen, over een deel met gouddraad in ruiten en maeanderpatroon doorwerkt en in een bundel roode draden eindigend. De gordel in een rood en wit gebloemden lap katoen geknoopt. Djampoewa, Gowa.

L. lemmet 30, br. 7,5, 1. greep 9, dm. 2,7, 1. srfieede 47, br. 2,8—13 cM.

1977/663). Als voren, het lemmet gedamasceerd^ met vijf flauwe bochten, de gandja met tanden (grènèng). De greep van donkerbruin hout, in den vorm van een hondepenis, met bloemkelkvormigen, roodkoperen steelring. De scheede van lichtbruin hout. Het huis met eene convexe en eene scherp afgesneden zijde, het bovenvlak flauw schuitvormig. Z.

L. lemmet 32,5, br. 6,6, 1. greep 8,2, dm. 3,1, 1. scheede 34, br. 3,6, L huis 13,3 cM.

1977/67. Als voren, het lemmet goed gedamasceerd, met elf bochten, omgekrulde kembang katjang, lambé gadjah, twee diepe bloedgroeven en grhiing. De steelring van geciseleerd geelkoper. De greep als voren, doch nog meer gestileerd, van voren afgerond. De scheede van lichtbruin hout, behalve het ondereinde, dat met een

1) Vgl. Matthes, Atlas, pL VIL, fig. 5—6.

2) Voor de vervaardiging van deze gordels vgL Loebèr, Het weven in Ned.-Indië, 61 65:

Het weven van banden en randen.

3) Serie 1977 don. erven Mr. M. C Piepers, Nov. 1919.

Sluiten