Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoen, niet vooruitstekend. Huis van bruin, gevlamd hout, de eene zijde concaaf, de andere convex. Z.

L. lemmet 34, br. 8, 1. greep 9, dm. 3, 1. scheede 37, br. 2—12,9 cM.

1525/29. Kris, als voren, doch het lemmet bovenaan met een krul en een tand, aan de andere zijde de gandja scherp getand. Greep van been, de vorm als voren, doch minder gestileerd. Komvormige, zilveren steelring, met gedreven bladranken langs den rand, daaronder een ring. Scheede van geelbruin, gepolijst hout met beenen, vooruitstekenden schoen. Het huis van een afzonderlijk stuk lichtbruin hout, de eene zijde verdikt en convex, de andere recht afgesneden. Z.

L. lemmet 23, br. 6, 1. greep 8,5, dm. 2,6, 1. scheede 28, br. 2,5—11,2 cM.

131/14. Als voren, het lemmet gedamasceerd, met negen bochten, de punt afgebroken. Bovenaan een beschadigde krul en daaronder eenige flauwe tanden, bok de tegenovergestelde snede en gandja getand. Greep van been, de vorm als voren, doch de Garoeda geheel met snijwerk bedekt. Zonder steelring. Scheede van grijsbruin hout met vooruitstekenden schoen, onderaan met zwarte reepen, bovenaan met rood en wit gestreept katoen omwonden, waardoor de gordellus, die van boven met bruin leder bekleed is, wordt vastgehouden. Huis van roodbruin, gevlamd hout, de vorm als voren. Z.

L. lemmet 35,5, br. 7,7, 1. greep 5,5, dm. 2,6, L scheede 36,5, br. 3,7—13,5 cM.

290/9 i) en 1200/15. Als voren, doch het lemmet met elf bochten *). Bovenaan aan de eene snede een effen (9) of getande (15) krul (kimbang katjang) en daaronder min (15) of meer (9) scherpe uitsteeksels (lambe gadjah). De andere snede en de gandja getand. Greep van ivoor, in den vorm van een hondepenis (9) of van een zeer gestileerden Garoeda (15). Koperen, komvormige steelring, met bloem- en bladvormig drijfwerk versierd (15), door een zilveren ringetje gevolgd (9). Scheede van geel hout, met vooruitstekenden schoen (15), huis van hetzelfde stuk hout (9) of van een afzonderlijk stuk roodbruin, gevlamd hout, de vorm als voren. Z.

L. lemmet 35 en 34,5, br. 8,5 en 8,2, 1. greep 7,5, 1. scheede 38,5 en 37,5, br. 3,5—13 en 3,3—14 cM.

3. Zwaarden.

1239/r73- Kort zwaard8), lemmet recht, rug recht, snede convex, punt scherp. Greep van zwart hout, plat, knievormig gebogen, naar boven breeder, het bovenvlak uitgeschulpt. Scheede van twee planken, door omwikkeling met garen, waarop hars gesmeerd is, bijeengehouden; mondrand aan eene zijde verbreed met puntig, gegroefd uitsteeksel. Z. L. lemmet 28, gr. br. 4, 1. greep 9, 1. scheede 33, br. 4,5—6,5 cM.

1239/166. Zwaard, als voren, het lemmet recht, onderaan schuin afgesneden, de rug recht, de snede flauw convex. Greep van hoorn, in doorsnede ovaal, vogelkopvormig. Scheede van twee bruine planken, van onderen en boven verbreed, boven nog met bladornament; ter zijde twee zilveren ringen op rozetten met draagsnoer. Z.

L. lemmet 52, br. 2,3—3,3, 1- greep 12, 1. scheede 56, br. id. 4,5—8 cM.

1239/165. Als voren, doch het lemmet gedamasceerd, rug en snede recht en evenwijdig, de eerste met convexen boog in de punt overgaande. Greep van bruin hout, m doorsnede ovaal, naar onderen verbreed, naar boven eenigszins bloemknopvormig en gespleten. Scheede van bruin hout, in doorsnede spits ovaal, ondereinde beschadigd, het midden met twee geelkoperen banden, boveneinde met klein, afzonderlijk mondstuk van zwart hout. Z.

L. lemmet 49, br. 3,8, 1. greep 14, 1. scheede 53, br. 5,5 cM.

1) Serie 290 don. H. G. Jansen, Jan. 1882^

2) Vgl. Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 13.

3) Vgl. Matthes, Atlas, pL VII, fig. 20.

Sluiten