Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gouddraad omboord en met bosjes witte en roode haren en veelkleurige kralen versierd. Gordelband van rood, wit en blauw katoen met den hoorn van een Buceros, die fraai met bloem- en bladvormig snijwerk en reliëf versierd is, als gordelknoop. Z. L. lemmet 50, br. 3,9, L greep 13, dm. 3, L scheede 56,5, br. 6 cM.

4. Dolken.

1239/175. Dolk1), het lemmet fraai gedamasceerd, rug en snede recht, spitsboogvormige punt. Greep van zwart hoorn, knievormig gebogen, naar boven breeder en het einde paardehoefvormig; naar onderen met een scherp randje en verbreeding. Scheede van bruin hout, twee planken, onderaan met beenen, puntig schoentje; boven afzonderlijk hoornen mondstuk, bevestigd met een van zilverdraad gevlochten breeden band, waaraan een draagsnoer. Z.

L. lemmet 27,5, br. 2,7, L greep 12,5, 1. scheede 31, br. 3,5—4,5 cM-

16/81 & 83. Dolken (badi% als voren, doch het lemmet met rechten rug en snede, die in een convexen boog naar de punt loopt. Greep als voren, die van n°. 81 geheel overeenkomend met die van 1239/175, doch die van n». 83 platter, zonder rug en niet verbreed. Scheede van donker- (81) of lichtbruin (83) hout, van onderen met fijne zwarte vezels (81) of spiraalvormig met rotanreepen (83) omwonden, n°. 83 met mondstuk. Het ondereinde afgerond (81) of schuin bijgesneden (83). Z.

L. lemmet 18,5 en 24,5, br. 1,9 en 2, 1. greep 10,5 en 6,9, 1. scheede 20 en 28, br. 3,1 en 5 cM.

1239/178. Dolk, als voren, het lemmet flauw gedamasceerd, rug recht, snede convex en beitelvormig, punt scherp. Greep van zwart hout, knievormig gebogen, in doorsnede ovaal met vlakken kant, boveneinde schuin afgesneden en uitgeschulpt. Zilveren steelring met groeven. Scheede van twee bruine planken, door zes fijne rotanringen bijeengehouden, aan den mond naar de snedezijde schuin verbreed; tegen de buitenzijde twee zilveren ringen op zilveren rozetten. Z.

L. lemmet 28,5, br. 3, 1. greep 9,5, 1. scheede 31, br. 4—6 cM.

360/5835. Als voren, het lemmet als dat van 1239/178, doch de rug en de snede van onderen convex. Greep van zwart hoorn, hertepootvormig, met scherpen rug tusschen het rechte en het gebogen gedeelte, van onderen verdikt. Scheede van hout, met zwart hoorn overtrokken, de schoen verbreed; van boven met züver, van onderen met rotanreepen omwoeld. Z. (?).

L. lemmet 27,5, br. 2,3, L greep 12, 1. scheede 30,5, br. 2,5—3,7 cM.

37/232. Als voren»), doch het lemmet smaller, de snede met convexen boog naar de scherpe punt toeloopend, de rug recht. Greep van donkerbruin hout, in doorsnede aangepunt ovaal, sterk gebogen, naar het einde dikker. Scheede van bruin hout, naar boven breeder, onderaan met puntig schoentje. Priesterdolk (?). Z.

L. lemmet 28, br. 1,7, 1. greep 12, 1. scheede 29, br. 3,5—4 cM.

1977/68 Als voren, het lemmet met scherpe punt, de snede van boven concaaf, daarna sterk convex en ten slotte geleidelijk naar beneden loopend. De greep van bruin gevlamd hout, hertepootvormig, knievormig naar de snedezijde gebogen en van boven schuin afgesneden. Scheede van lichtbruin hout, het mondstuk met uitsteeksel aan de snedezijde. De schoen vooruitstekend, schuin afloopend. Z.

L. lemmet 25, br. 4,5, 1. greep 16,5, dm. 3,3, 1. scheede 29, br. 5,1—10,2 cM.

1977/69 Als voren, het lemmet als dat van n°. 68; zilveren steelring, met tak- en bloémvormig ciseleerwerk versierd. De greep van bruin gestreept hout, de vorm als voren. Ook de scheede als die van n°. 68. Makassar.

L. lemmet 20,5, br. 3,7, 1. greep 15, dm. 2,7, L scheede 22,5, br. 4—9,5 cM.

1) Vgl. Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 18.

2) Matthes, Mak. Wbd. 235, s. v. tidl.

3) Matthes, Atlas, pl. VU, fig. 18.

Sluiten