Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met breeden, zilveren steelring. De scheede bestaat uit twee helften, die door omwinding worden bijeengehouden; het huis vormt een, naar achteren gericht, vogelbekvormig uitsteeksel; aan de eene zijde een hoornen oogje, waardoor een dun draagkoord van roode zijde en eenige afhangende snoeren van roode zijde, waaraan een cylindervormige, gele en een bolvormige, blauwe kraal zijn geregen; aan het einde dezer snoeren is een geelkoperen kettinkje met een half bolvormigen, geelkoperen knop bevestigd. — Deze dolk kost f6.—. Deze soort dolken wordt zoowel als snijwerktuig bij dagelijksch werk (mangga-eten, gambir-snijdta, klapper uithollen, enz.) als voor wapen gebruikt. Op Celebes komt de badi-badi-wond veel veelvuldiger dan de kriswond voor. De badi-badi wordt voor of achter, of ook op zij, in den gordel gestoken, gedragen. Onderafdeeling Bangkala (Alloe), Zuiderdistricten. Z. L. lemmet 20, br. 3,8, L greep 12, 1. scheede 21, br. 5,5—11 cM.

! 1509/328. Dolk, ak voren, de rug van het lemmet flauw convex, de snede eerst concaaf, daarna convex; greep van hoorn, in doorsnede hartvormig, sterk gebogen, naar het einde dunner en schuin afgesneden. Scheede van twee stukken bruin hout, plat en door een aantal rotanreepen bijeengehouden; ondereinde met driehoekig snijwerk. Bij den mond aan eene zijde een driehoekig uitsteeksel, daaronder een dubbele, ingegroefde streep. Voor de bevestiging van het draagkoord twee geelkoperen oogjes. Z.

L. lemmet 22,5, br. 2—4,8, L greep 14, dm. 1—2,5, L scheede 26, br. 5,5—10 cM.

1SQ9/407. Als voren1), het lemmet als dat van n°. 328, de greep van geelbruin hout knievormig gebogen, het uiteinde zeer schuin afgesneden. Steelring van zilver met twee dikke, gegroefde randjes. Scheede als voren, doch de verdikte schoen onversierd. Aan den mond eene inkeping en groeven; op het bovenvlak eenige groepen van groeven. Ter zijde een bloemvormig geelkoperen plaatje met oog. Z.

L. lemmet 16,3, br. 2—4, 1. greep 13, L scheede 25, br. 5—9,5 cM.

1526/26. Als voren (badi*), het lemmet ruw bewerkt, de rug naar onderen dunner, de snede geheel scherp, eerst sterk en dan flauw convex. Greep van geelachtig gevlamd palmhout, in doorsnede ovaal, het einde puntig. Scheede als voren, doch zonder snijwerk. Draagband van touw met lus als gordel. Djampoeiva, Gowa.

L. lemmet 21, br. 1,8—4, 1. greep 15, L scheede 23,5, br. 4,5—8,5 cM.

1526/28—29. Als voren (badi*), het lemmet effen (28) of gedamasceerd (29); de snede convex, met twee bogen, het breedst in het midden. Greep van bruin palmhout, knievormig, het uiteinde schuin afgesneden en bij 28 ingekeept. Scheede met verdikt randje als schoen, het boveneinde naar eene zijde met puntig uitsteeksel (bij 28 beschadigd). Bijna geheel omwikkeld met garen (29) of met rood en wit touw (28), daarboven bij 28 een oog met dergelijk, doch dikker touw, bij 29 een paars snoertje. Djampoewa, Gowa.

L. lemmet 22 en 27, br. 1,5—3,6 en 1,8—4,2, L greep 12,5 en 16,5, L scheede 24,5 en 29, br. 4—10,5 en 5—12,5 cM.

1526/32. Als voren (badi4), het lemmet effen, het breedst op V8 van de lengte. Greep van zwart palmhout, van denzelfden vorm als boven. Züveren steelring met kraag. Scheede als voren, doch het driehoekig uitsteeksel aan den mond met groeven. Aan de eene zijde twee hoornen oogjes; omwonden met drie dubbele banden van varen, met een krul besloten. Djampoewa, Gowa.

L. lemmet 21,5, br. 1,7—4,4, I. greep 13, t scheede 25,5, br. 4,5—9,5 cM.

1526/30. Als voren (badis), de rug van het lemmet recht, naar onderen dunner, de snede 'geheel scherp en convex, als voren. Greep ruw bewerkt, van geelachtig

1) VgL Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 19. a) Vgl. Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 19.

3) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 19.

4) Matthes, Atlas, pl. VU, fig. 19.

5) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 19.

Sluiten