Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als voren, doch in het driehoekig uitsteeksel bovenaan langs- en dwarsgroeven. Gordel als voren. Djampoewa, Gowa.

L. lemmet 24,5, br. 1,3—2,8, L greep 12, 1. scheede 27,5, br. 3,3—8,2 cM.

1526/35. Dolk (badi1), als voren, doch het lemmet zeer ruw bewerkt, bijna recht, het breedst op i/g van de lengte, de rug recht. Greep van geelachtig gevlamd hout, vorm als voren; zilveren steelring met kraag. De scheede als voren, met groeven langs den mondrand. Om de scheede van onderen smalle omwinding van touw, van boven twee zilveren bandjes en daartusschen twee ruitvormige plaatjes met oog, voor den draagband, die ontbreekt. Djampoewa, Gowa.

L. lemmet 20, br. 1,5—3, 1. greep 13,5, L scheede 22,5, br. 4—ii cM.

706/2. Als voren, het lemmet als dat van n°. 1526/35, doch de greep van zwart hout, zonder steelring. De scheede als voren, doch met kort, haakvormig uitsteeksel, dat aan de eene helft beschadigd is. Van boven met touw omwonden. — Hiermede werd 11 Januari 1883 een elfjarig meisje vermoord. Z.

L. lemmet 20, br. 4,1, L greep 10,2, L scheede 22, br. 4,2—7 cM.

1428/1 s). Als voren»), doch de convexe snede van het lemmet aan weerskanten aangeslepen. De greep van gevlamd, bruin hout, hertepootvormig. Scheede van donkerbruin hout, de mondrand aan den snedekanl bekvormig verbreed; zonder omwinding, het ondereinde schuin afgesneden, niet verdikt. Z.

L. lemmet 26,4, br. 4,2, 1. greep 13, 1. scheede 28,5, br. 4,2—10,2 cM.

1599/406. Als voren*), het lemmet ais dat van 1428/1, de greep van geelbruin hout, in doorsnede hartvormig, het bovenvlak met dwarsruggen en kerven. Scheede van geelbruin hout, uit twee planken bestaande, die door vijf zilveren (?) banden worden bijeengehouden, het mondstuk aan eene zijde vleugelvormig verlengd; het ondereinde verdikt. Tegen de buitenzijde twee metalen oogjes voor de bevestiging van een draagkoord. Z.

L. lemmet 27, br. 1,5—3,5, 1. greep 10, 1. scheede 30, br. 4—7,5 cM-

1599/408. Als voren, het lemmet als dat van 1599/406, doch de greep van hoorn, vorm, als voren, doch zonder dwarsruggen en kerven. De mond der scheede aan eene zijde driehoekig uitgebogen en daaronder iets uitgesneden; op het bovenvlak eene groep van groeven. Het smalle gedeelte bedekt met zilveren beslag, tusschen gegroefde bandjes begrensd; aan het ondereinde een door bandjes begrensde, schoenvormige verdikking. Op de buitenzijde horizontale en verticale banden met gedreven bloemornament, door effen banden afgewisseld; op de binnenzijde, op het schoenvormige gedeelte, een tijdrekeningstafel (koetika) tusschen banden met bloemornament. Op de buitenzijde twee gegroefde oogjes voor de bevestiging van een draagkoord. Z.

L. lemmet 22, br. 1,6—4, L greep 13,5, 1. scheede 24,5, br. 5—10 cM. f*!!»%

1599/609. Als voren, doch de snede en de rug van het lemmet recht»), met convexen boog naar de punt overgaande; greep van gevlamd hout, vorm als voren, doch met inkerving in het bovenvlak. Steelring van zilver met gedreven bloemornament. Scheede van geelbruin hout; het ondereinde schoenvormig verdikt en met een zilveren ringetje; eene rondgaande verdikking, gevolgd door een dergelijk ringetje op eenigen afstand van het boveneinde, dat naar eene zijde is uitgebogen; onder den uitgeschulpten mondrand twee evenwijdige groeven en aan weerszijden, daarbij aansluitende, twee paren kwartcirkelvormige. Z.

L. lemmet 29, br. 1,7, 1. greep 6,5, dm. 2,3, 1. scheede 32, br. 3—7 cM.

300/1448. Als voren, doch het lemmet gedamasceerd, in het midden en van boven het breedst, daartusschen flauw concaaf en van onderen convex. Greep en

1) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 19.

2) Aankoop Maart 1904.

3) Hein, Ind. Sckwertgriffe, p. 345, fig. 70.

4) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 19.

5) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 18.

Sluiten