Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1649/13. Knots1), als voren, doch bestaande uit een ruwen tak, naar het eene einde dikker en daar met talrijke, kromme, ruw bijgesneden, puntige uitsteeksels. Om die punten een gedraaid rotantouw met lus. Z.

L. 41, dm. cylindervormig gedeelte 2,5—5 cM.

1895/57. Als voren, van bruin hout, in doorsnede vierkant, naar het einde dunner en cylindervormig, met doorboring, waarin een rood en blauw gestreept draagsnoer. Dikke, houten knop. Saleier.

L. 55, dm. 3 cM.

6. Blaasroeren met toebehooren.

131/27. Bamboekoker, zonder omwinding of stop. — Waarschijnlijk voor blaasroerpijltjes of voor kruit. Z. (?). L. 43, dm. 3,7 cM.

1895/101. Blaasroer, van bamboe, op het vooreinde een dikkere ring, aan het andere een opgeschoven, dikkere bamboe met schuin bijgesneden vooreinde. Op drie plaatsen diagonaal gevlochten rotanringen. Saleier.

L. 93, dm. 2—2,5 cM.

7. Vuurwapenen met toebehooren.

37/245. Opleghaak, van rood geverfd hout, van onderen aangepunt, met rondgaande groeven; nabij het boveneinde is een dwarsarm ingestoken, waarvan de einden bladkrulvormig bewerkt en zwart en rood geverfd zijn. Aan eene zijde een ijzeren haak. — Wordt bij het schijfschieten gebruikt, om het geweer daarop te laten rusten. Z.

H. 46, gr. br. 18 cM.

37/243. Patroontasch (karape*), van rechthoekig gevlochten pandan-ieepea, de buitenzijde met groen katoen bekleed; rechthoekig met driehoekig, overslaand deksel, dat evenals alle randen met grijs touw omboord is en met een touwtje en een oog kan worden vastgebonden. Draagband van rood en zwart gestreept katoen. In het inwendige, dat in twee vakjes verdeeld is, een kruitkokertje van bamboe. Z.

L. 17,5, h. 11, d. 6,5 cM.

II. Verdedigingswapens.

37/242. Schild (lengoe bodong*), rond, van stijf over hoepels gevlochten rotan, van buiten convex met eenigszins opstaanden rand, van binnen concaaf met twee half omwoelde rotanringen als handvat. De buitenzijde beschilderd met roode en witte, concentrische, vijfpuntige sterren op groenen grond. Z.

Dm. 34 cM.

37/536. Als voren (lengoe bodong*), van rotanreepen over hoepels rondgaand gevlochten, van voren convex, van achteren concaaf. In het midden der voorzijde een vergulde, zespuntige ster en langs den rand vergulde driehoeken. Aan den binnenkant twee groote, rechthoekig gevlochten lussen, om den arm door te steken. — Uit den Bonischen oorlog. Z.

Dm. 43,5 cM.

800/16). Als voren (lengoe), doch van hout, rechthoekig, in het midden het breedst en naar de beide, recht afgesneden einden smaller wordend; de convexe buitenzijde met een schijfvormigen knop in het midden en de uiteinden met vele, op onderling

1) Not. Bat. Gen. 1903, p. 55.

2) Matthes, Mak. Wdb. 58, s. v. kar&pfe met Atlas, pl. VU, fig. 26. — Niemann, Boegineezen en Makassaren, 1. c. 278.

3) Matthes, Mak. Wdb. 626, s. v. lingoe met Atlas, pl. VII, fig. 22.

4) Matthes, Mak. Wdb. 636, s. v. lengoe met Etkn. Atlas, pl. VII, fig. 22.

5) Matthes, Atlas, pl. VII, fig. 21. — Serie 800 don. gemaal der leenvorstin van Bone, Oct. 1891.

Sluiten