Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1808/341!). Aanzienlijk Boeginees (taoe detjeng*) in feestgewaad: i°. hoofddoek (pasapoe songke*), van zwarte zijde, met zilver doorstikt. 20. baadje (wadjoe setting*), van rood satijn, met vier geelkoperen knoopen, met gouddraad omboord.

3°. gordel (pabak&ng*), van blauw, wit geruit katoen, waarvan een slip de kris bedekt.

4°. een doek van rood katoen tusschen de kris en het lichaam. 50. broek (saloewara berotji sabe*), van roode zijde, met veelkleurige overlangsche strepen, met gouddraad omboord, tot de knieën reikend. Makassar. H. 67,5 cM.

1108/346 7). Makassaarsche prins, van zuiver vorstelijk bloed, in feestgewaad: i°. plat mutsje (songko ni mandappong*), van zwart leder met vergulden rand. Dit

soort hoofddeksel mag door niemand anders worden gedragen. > 20. baadje (Mak. badjoe soso9), van blauwe, geel en rood gebloemde zijde, met

zeven knoopen.

30. daaronder een baadje (badjoe salang), van wit linnen met opstaanden kraag en

drie roode knoopen. 4°. rok (gadoe10), van zwart, geglansd katoen. Daaronder een 50. broek (saloewara barotjin), van rood, wit gestreept katoen, tot de knieën

reikend.

6°. Kris (tata rapangu), geheel verguld, met greep in den vorm van een menschenfiguur, het lemmet sapoekalals) = recht.

70. . gordel (pasapoe paloeloe14), van roodbruin, gebloemd katoen. 8°. doek (pasapoe se/eie) achter de kris, van rose gaas.

90. twee ringen (tjintjing1*), aan wijsvinger en pink der rechterhand. Makassar. H. 69 cM.

1108/342W). Boegineesche prins, in feestgewaad, bestaande uit: i°. platte, witte muts (songko kebo1*) met een knopje (boekoe1*) bambo) van gouddraad in het midden, op een ronden lap rood katoen.

2°. baadje van roode zijde, met geborduurde, gouden bloemen, door vier knoopen gesloten.

3°. geelkoperen armbanden (potto ï0) batang alara) en vingerringen. 4°. rok (tapong2I), van wit gaas.

1) Cat. Tent. Poffen Batavia, p. 80, n°. 11. — Cat. Tent. Poffen den Haag, 30.

2) Matthes, Boeg. Wdb. 396, s. v. dltjeng.

3) O. c. 681, s. v. 30 sdpoe en 676, s. v. songké. 4) O. c. 707, s. v. sttting.

5) O. c. 166, s. v. i» bikk&ng met Atlas, pl. XV, fig. 7.

6) O. c. 205, s. v. berotji en 690, s. v. sibe.

7) Cat. Tent. Poffen Batavia, p. 82, n°. 16. — Cat. Tent. Poppen den Haag, 30.

8) Matthes, Mak. Wdb. 332, s. v. manddffong.

9) O. c. 247, s. v. i° bStdjoe met Atlas, pl. XIV, fig. 6.

10) O. c. 101, s. v. gddóe met Atlas, pl. XIV, fig. 11.

11) O. c. 267, s. v. barölji.

12) O. c. 406, s. v. 1° tdta.

13) O. c. 129, s. v. fóèkald met Atlas, pl. VII, fig. 2—3.

14) O. c. 689, s. v. 3» loeloe: afdrogen.

15) O. c. 787, s. v. silé: kris.

16) O. c. 519, s. v. Ijinljing.

17) Cat. Tent. Poffen Batavia, p. 80, n°. 12. — Cat. Tent. Poppen den Haag, 29.

18) Matthes, Boeg. Wdb. 676, s. v. songko.

19) O. c. 163, s. v. boekoe.

20) O. c. 105, s. v. 2° pUtto.

21) O. c. 291, s. v. tapong met Atlas, pl. XIV, fig. II.

Sluiten