Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4*. twee armringen, van geelkoperdraad, met kralen versierd. — Behoorende bij de boven genoemde poppen. Z.

L. sirihdoozen 5—6, dm. waterketel 3,5, h. kwispedoor 2,5, dm. armringen 2,2 cM.

37/372—373- Draagstoelen (boelekang1), modellen van licht-(372) of donkerbruin (373) hout; rechthoekige bak met opstaande randen, aan de korte einden verlengd met een paar draagboomen, waaraan bij n°. 372 stroppen van bruin touw. De buitenzijde bij n°. 373 met snijwerk versierd. — Voor eene bruid. Z.

L. totaal 35,5 en 32, br. 10 en 7,5, h. 3,5 en 2,5 cM.

1009/30*). Mandje (pakoe karaeng*), de bodem zeshoekig, van boven rond; * volgens het gesloten drierichtïngsysteem van bladreepen gevlochten. Langs het midden van den wand vormt het vlechtwerk ruiten en langs den bovenrand tandvormige uitsteeksels. — Wordt bij feesten, als huwelijken, enz. met ongekookte rijst gevuld; vervolgens wordt een inlandsche kaars daarin gestoken. Model op % w. gr. Gowa.

Dm. van onderen 9,5, van boven 12,5, h. 7 cM.

1108/344*). Pop, voorstellende een vorstelijken bruidegom. Kleeding:

i°. H o of dring (sigara*) van rood katoen, versierd met een rand van gouden staafjes (rante boelö-boelo*) en bloemen van zilverpapier (djoengge 7).

2°. Baadje en broek (pasangingang*) van paarse zijde met vergulde bloemen. Daaronder een

3°. baadje van wit katoen (badjoe lalang9).

4°. Om het middel een band (bara-bara19) van lichtrood katoen. Daaronder een

50. buikgordel (tali banang11) van oranje katoen, met gouddraad doorweven en met rand van gouden staafjes, voorzien van een knoop (bate-bate) als teeken van vorstelijke waardigheid.

6°. Hierin steekt van voren een gouden kris (vorm tat arapang u) met lemmet van den vorm sapoekqla1*).

7°. Tusschen het lichaam en de kris een doek (pasapoeu) roi-roili) van wit gaas met oranje, met gouddraad doorwerkten rand, waaraan een ronde amberdoos bevestigd is, die met gouddraad versierd is.

8°. Rok (tope16) van groene zijde met vergulde bloemen, gegarneerd met een oranje, met goud doorwerkten rand (kaiu) en met gouden staafjes (rante boelo-boelo) van onderen.

9°. in de rechterhand een zakdoek (pasapoe palaloe) van wit en rood gebloemd katoen.

io°. vingerringen (tjintjing17) van geelkoper met steen van zilverdraad. ii°. slangvormige gouden armbanden (ponto naga19). Makassar. H. 67 cM.

1108/34519). Als voren, doch eene vorstelijke bruid voorstellend: Hoofdver-

1) matthes, Mak. Wdb. 283, s. v. boete' met Alias, pl. XIV, fig. 34.

2) Cat Bat. Tent. p. 187, n°. 1988, waar karoeng een drukfout is voor: karaeng.

3) Matthes, Mak. Wdb. 197, s. v. 3° bakoe.

4) Cat. Tent. Poffen Batavia, p. 81, n°. 14. — Cat. Tent. Poffen den Haag, 30.

5) Matthes, Mak. Wdb. 725, s. v. sigard. 6) O. c. 284, s. v. boelo.

7) O. c. 534, s. v. djolngge met Atlas, pL XV, fig. 8.

8) O. c. 726, s. v. sdnging. — Eerdmans, 45.

9) O. c. 682, s. v. i» Idlarig. 10) O. c. 255, s. v. 3» bdra.

11) O. c. 452, s. v. 2° tdli met Atlas, pl. VII, fig. 10c.

12) O. c. 406, s. v. i° tdla.

13) O. c. 129, s. v. foekala met Atlas, pl. VII, fig. 2—3.

14) O. c. 730, s. v. safoe.

15) O. c. 383, tbfe met Atlas, pl. XIV, fig. 14.

16) O. c. 91, s. v. kdi. i7) o. c. 519, s. v. tjinjtjing.

18) O. c. 144, s. v. flnto met Atlas, pl. XV, fig. 9.

19) Cat. Tent. Poffen Batavia, p. 81—82, n°. 15. — Cat. Tent. Poffen den Haag, 30.

Sluiten