Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

siering: haarwrong van den vorm stmboleng patinra L), versierd met een ruiker (poenga ni goe'ba*), die aan het haar bevestigd is door haarspelden (pinang gojang*). In het haar draagt zij witte versierselen (koetoe-koetoe % die w£/«rï-bloemen moeten voorstellen, en aan de oorlellen hangen een paar oorhangers (bangkara taroroe5).

Kleeding: baadje (badjoe edja*) van rood katoen, met rand (kat) van blauwe zijde met ingestikte gouden bloemen, omboord met gouden staafjes (rante boelo-boeló). Over den rechterschouder hangt een doek (pasapoe roi-roili) van rood gaas met oranje, met goud doorwerkten rand, waaraan gouden doosjes en andere versierselen (roi-roili) zijn bevestigd. De rok (tope) van groene zijde met vergulde bloemen, de kai en rante boelo-boelo evenals bij het baadje. Daaronder een broek (tope lalang'') van blauwe zijde, met vergulde bloemen, tot de enkels reikend. Aan de armen draagt zij twee gouden, met filigraanwerk en roode en blauwe edelsteenen versierde ringen (ponto bosara8) en daartusschen spiraalvormige koperen armbanden (ponto sipapa9). ! Makassar.

H. 64 cM.

„08/33510). Boegineesche prins in bruidegoms- of gala-kostuum: Hoofdring van groen katoen met rooden rand, waaraan van achteren drie veelkleurige paarlsnoeren afhangen, die in koperen blaadjes uitloopen. Aan den voorkant in het midden een opstaand uitsteeksel. Baadje met lange mouwen, van groene zijde, met gouddraad doorweven en lange broek van dezelfde stof. Daarboven een dodot van groen gaas, met rooden, met gouddraad doorweven rand. Tusschen de kris en het lichaam een roode doek, met oranje en paarsen, met gouddraad doorweven rand. Kris met gouden scheede (pasantimpa u), het lemmet met vijf bochten (lamba lima™) kantji kalend), de greep van ivoor (pangoeloe19) gigi) in den vorm van.een hondepenis. Met geelkoperen polsringen en ringen aan den wijsvinger. Makassar.

H. 62 cM.

n 08/333"). Als voren, doch de hoofdring paars. Ook het baadje en de broek paars met bloemen van gouddraad. De dodot paars, de rand wit en rood, met gouddraad doorweven. De doek tusschen het lichaam en de kris lichtrood met donkerrooden met gouddraad doorweven rand. De armbanden slangvormig (potto oelals); gouden kris (tatarap&tg™), de gordelband met knoop (bate-bate), een teeken van vorstelijke waardigheid, dat alleen mag worden gedragen door regeerende vorsten en hunne wettige opvolgers. Makassar.

H. 62 cM.

U08/33417). Boegineesche prinses in bruids- of gala-hofkostuum: In het haar witte- bloemen en trillende sieraden van koperdraad, met glazen steentjes ingelegd. In de ooren geelkoperen, met kristal (?) ingelegde hangers. Baadje en rok van paars katoen, de rand wit en rood, met gouddraad doorweven. Over den rechterschouder een doek van lichtrood gaas met donkerrooden, met gouddraad doorweven rand. Lange broek van paarse zijde, met bloemen van zilverdraad omboord met roode

1) Matthes, Mak. Wdb. 746, s. v. simbbleng: „opstaande haarvlecht."

2) O. c. 97, s. v. goeba: „samengevoegde bloemen."

3) O. c. 106, s. v. góyang: „schuddende pinang."

4) O. c. 26, s. v. 1° koetoe: „luis."

5) O. c. 204, s. v. bangkara: „hangend oorsieraad." 6) O. c. 865, s. v. idja: „rood."

7) O. c. 383, s. v. tope met Atlas, pl. XV, fig. 3.

8) O. c. 144, s. v. pènto.

a) O. c. 1. c. met Atlas, pl. XV, fig. 10.

10) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 79, n». 5. — Cat. Tent. Poppen den Haag, 30.

11) Matthes, Boeg. Wdb. 310, s. v. ttmfo. — Eerdmans, 54.

12) Matthes, o. c. 551, s. v. i» l&mba. 13) O. c. 876, s. v. 1° oeloe.

14) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 79, n". 3. — Cat. Tent. Poppen den Haag, 30.

15) Matthes, Boeg. Wdb. 105, s. v. 2° potto met Atlas, pl. XV, fig. 9.

16) O. c. 323, s. v. tatar&p&ng.

17) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 79, n«. 4. — Cat. Tent. Poppen den Haag, 30.

Sluiten