Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1108/3361). Boegineesche prinses in bruids- en gala-hofkostuum: witte bloemen en veerende, bloemvormige, geelkoperen sieraden m het haar. Oorhangers van geel koper, met roode en groene steentjes ingelegd, met afhangende kralensnoeren. Baadje met korte mouwen en rok, beide van groen katoen met rooden, met gouddraad doorwerkten rand. Lange broek van groene zijde met gele bloemen, omzoomd met paarse zijde met vergulde bloemen. Over den rechterschouder een doek van rood katoen, met opengewerkten, oranje, paars en vergulden rand. Geelkoperen, in doorsnede dakvormige polsringen, met roode en groene steentjes ingelegd. Makassar.

H. 59,5 cM.

1108/338»). Als voren, doch de oorhangers met robijnen en kristal ingelegd. Baadje en rok van rood katoen, de rand (kat*) van gouddraad en oranje en groene zijde Broek van zwarte zijde met gele bloemen, omzoomd met paarse zijde met vergulde bloemen. Schouderdoek van wit gaas met rood en groenen, opengewerkten rand. Polsringen als voren. Makassar.

H. 58 cM.

1108/348*). Makassaarsche vrouw, in het gevolg van bruid en bruidegom (patrang boenüng*). De haarwrong (simboleng) in twee gedeelten gesplitst, versierd met een ruiker witte bloemen (boenga ni goeba) en veerende, geelkoperen, bloemvormige haarspelden. Baadje met korte mouwen (badjoe bodo) van wijnrood katoen. Schouderdoek (pasapoe roi-roili) van steenrood katoen, de rand groen en verguld (renda*), met een aanhangend doosje. Rok (tope) van geel katoen en broek (tope 1 lalang) van blauwe zijde met vergulde en roode bloemen, de rand van paarse zijde met vergulde bloemen. Makassar.

H. 55,5 cM.

iooo/no7). Vorstelijk huis (model), met dak van aiap, op 42 palen rustende, aan de lange kanten met vijf en aan het eene einde met zes, aan het andere met vijf vensters en een deur, de vensters bijna alle met luiken gesloten. Het houtwerk van buiten geel geverfd en op eenige plaatsen met verguld snijwerk versierd. Van binnen in eene kleinere en eene grootere ruimte verdeeld; de wanden en de stijlen, die de voortzetting zijn der palen, waarop het huis rust, zijn blauw geverfd; het plafond met katoen bespannen. In de binnenruimte zijn een groot aantal poppen geplaatst, voorstellende het eerste onthaal (koffie en gebak) van een pas gehuwd paar (na de huwelijksvoltrekking) bij den vorst van Gowa, waarbij één der jonggehuwden 's vorsten kind is. In het voorhuis zijn: de vorst van Gowa, bruid en bruidegom, de bruidsmoeder, die een ««A-pruim gestampt heeft en deze den vorst aanbiedt, de eerste rijksbestierder (Toe mailalang matowa*), de tweede rijksbestierder (Toe matlalang malolo*), een voorname prins ('s vorsten broeder of neef), prinsen die apanages besturen (bate anakaraeng1*), vrouwen (pabembeng11), soms van adel, steeds van roeden stand, het onthaal opbrengende, rijksraadleden en prinsen, mannen (pabembeng), dikwijls prinsen of van adel, steeds van goeden stand, het onthaal opbrengende, jonge prinsen en prinsessen, vrouwelijke hofbedienden, vrouwen van njksgrooten prinsenfenz., de kalief, de vrouw van den vorst, een hóófd (anrong goeroe1*),fungeerend als deurwachter, heidensche priesteressen (bissoe), een persoon, die de fluit (poert-

O Cat. Tent. Potten Batavia, p. 79, n°. 6. — Cat. Tent. Poppen den Haag, 30. 2) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 80, n». 8. — Cat. Tent. Poppen den Haag, 30. ■»"> Mittitk. Roer. Wdb. SO. S. V. Ut.

4) Cat. Tent. Poppen Batavia, p. 80, n°. 18.

5) Matthes, Mak. Wdb. 882, s. v. irang. .

7) Cat. Bat. Tent. p. 192—193, n°. 2063 en p. 196—199. X) Matthes, Mak. Wdb. 682, s. v. i° lalang.

9) O. c 694, s. v. 30 Ulo: 10) O. c. 224, s. v. l° b&te. 12) O. c. 877, s. v. drong.

6) O. c. 594, s. v. rinda.

11) O. c. 215, s. v. bémbeng.

Sluiten