Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poert) en twee personen, die de lange trom (ganrangL) bespelen, slavinnen van den vorst of de vorstin, eene slavin met bezweringstoestellen, het vrouwelijk hoofd der vrouwelijke pabembeng's. Verder een waskaars, een suikerpot, een thee- of koffiepot, diverse soorten gebak, een spuwbak, drie siriA-doozen, vier kussens (pamandjengangs), een soort «W/4-doos, een doos voor geneesmiddelen en kleine toilet- of andere benoodigdheden (pawo djangki9) en bakoe karoeng*'). In het achterhuis wordt eene voorstelling gegeven van het toedienen van het eerste vaste voedsel aan een vorstelijk kind. Dit geschiedt den 5o»ten dag na de geboorte en heet ni paemoe*) mm laten aflikken, omdat het kind feitelijk slechts het op de lippen aangestreken voedsel kan aflikken. Hier zijn: de dokteresse (sanro9), het prinsje, dat men het eten wil laten aflikken, op den schoot houdende, zoogmoeders van het prinsje, een verhemelte (laloeng) vasthoudende, zoogmoeders, die een soort bezweringstoestel (odja7) vasthouden, vrouwen (prinsessen en mindere adellijken), kleedingstukken, voor het kind bestemd, dragende, kinderen van prinsen of mindere adellijken, bezweringstoestellen vasthoudende (patrang sisitiriwoe 8), idem kleine vlaggetjes vasthoudende (paerang bandera), eene prinses (anakaraeng), een waskaars brengende, eene vrouwelijke bediende met een soort bezweringstoestel tegen booze geesten, (paerang ana batjing9), eene vrouwelijke bediende, kleine koperen bekkens tegen elkaar slaande, tegen booze geesten (paerang kantjing 10j, eene vrouwelijke bediende, een soort lont, gemaakt van klappemootvezels en oude lappen, tegen booze geesten, vasthoudende (paerang djotdjoe11), de eerste of hoofdzoogmoeder (ama pasoesoe bara kamboe), eene vrouwelijke bediende, alle benoodigdheden voor het aanbrengen van medicinale stippen bij zich hebbende (paerang paütilang'a), eene vrouwelijke bediende, geroosterde rijst en djagoeng dragende, als bezweringsmiddel waarmede het kind bestrooid wordt (paerang benieu), eene pabembeng, de bevelen der in het voorhuis gezeten vorstin afwachtende, kinderen van prinsen of mindere adellijken, bezweringsmiddelen vasthoudende (paerang bongka sttang paramatang1*), eene vrouwelijke bediende, in een bakoe karoeng gedroogde frVi/i-bladeren bij zich hebbende (paerang bakoe karoeng), eene vrouwelijke bediende, de wacht houdende bij de, voor haar staande kaarsen, in met gaba gevulde mandjes gestoken (padjaga tai bant1*), eene pabembeng, bevelen afwachtende van de in het voorhuis gezeten vorstin, eene prinses, het toezicht houdende op het kussen (paloengang1B), waarop het voor het kind bestemde eten gelegd wordt, een waterketel (tjere17) en drinkvat (panotmbotng19), eetwaren voor het kind bestemd (pakadokang19), mandjes, gevuld met gaba en daarin eene waskaars gestoken (djadjakang"), pabembeng, bevelen van de in het voorhuis gezeten vorstin afwachtende. Op het vóórportaal houden vier wachters (padjaga) de wacht; een hunner slaat op de gong, om het uur van den dag aan te geven. Op de trap nabij den vorst staat een wachter met eene tweetandige lans. Gowa. L. 193, br. 136, h. 135 cM.

1009/120 S1). Als voren, rustende op 25 palen. Aan het eene uiteinde een klein, met bladeren overdekt uitbouwsel. Zadelvormig dak, van atap. De wanden van buiten geel geverfd, de vensters met traliewerk, zonder luiken. Van binnen eene menigte poppen, voorstellende het gereedmaken van het tweede onthaal (rijst met toespijzen)

1) Matthes, Mak. Wdb. 106, s. v. i° g&nrang met Atlas, pl. VIII, fig. 17.

2) O. c. 335, s. v. manjdjeng. 3) O. c. 531, s. V. djangki. 4) O. c. 197, s. v. 3<> b&koe. 5) O. c. 841, s. v. "emoe.

6) O. c. 767, S. V. sanro.

7) O. c. 866, s. v. Sdja met Atlas, pl. IX, fig. 13 en \%b. 8) O. c. 882, s. v. irang. 9) O. c. 243, s. v. batjing met Atlas, pl. IX, fig. I.

10) O. c. 43, s. v. 2° kanjtjing met Atlas, pl. IX, fig. 4.

11) O. c. 546, s. v. djoedjoe. 12) O. c. 414, s. v. tltitt. 13) O. c. 228, s. v. binte. 14) O. c. 201, s. v. bongka. 15) O. c. 465, s. v. 2° tdi. 16) O. c. 182, s. V. palóengang. 17) O. c. 523, s. v. tjiré. 18) O. c. 151, s. V. panoemboeng. 19) O. c. 35, s. v. kddó. 20) O. c. 547, s. v. djadjdkkang. 21) Cat. Bat. Tent. p. 193, n°. 264 en p. 199—201.

Sluiten