Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het uiteinde, de middelste met een galmgat op eenigen afstand van het boveneinde en zes galmgaten op onderling gelijken afstand aan de tegenovergestelde zijde. Op den ondersten cylinder is een schijfvormig stuk klapperdop als klanktrechter, op den bovensten een bamboekoker, eveneens met een schijfje van klapperdop, waarin de tong van palmblad wordt bevestigd, gestoken. Gowa. L. 37,4, dm. i—2,5 cM.

654/s1). Klarinet (poewi-poewi), als voren, met zes galmgaten aan eene zijde en een aan de tegenoverliggende. De trechtervormige mond van blik, het lichaam van zwart hout, naar boven dunner toeloopend; het mondstuk bestaat uit een roodkoperen buisje, waarop als tong twee samengevouwen palmblaadjes geschoven zijn j op het buisje rust een schijf van klapperdop, waartegen de mond bij het blazen rust. Makassar.

L. 52, dm. 1,6—3,4 <=M.

654/2*). Mondtrom (genggong1), bamboestaafje, in welks midden de tong is uitgesneden,' die met een, aan een koordje hangend bamboestaafje getokkeld wordt. De tong benevens eenige dwarsstrepen en K-vormige figuren zijn door het afschrappen der opperhuid bruin. Makassar.

L. 12,5, br. i cM.

697/41*) en 1009/87 8). Als voren (genggong), n°. 41 rechthoekig, bij n°. 87 het eene einde eenigszins achthoekig, het andere eenigszins poortvormig; het ondereinde van de tong naaldvormig. 41: Makassar, 87: Gowa.

L. 12,5 en 15,8, br. 1,4 en 1,5 cM.

c. Snaarinstrumenten.

37/253. Viool (keso-keso *), de kast van bruin hout, half peervormig, bespannen met leguanen (?) huid. Steel van geel hout, cylindervormig, met talrijke dwarsgroeven en ribben; twee cylindervormige stemschroeven, de snaren ontbreken. Strijkstok (pakeso keso-keso) van geel hout, flauw gebogen, met schijfvormig vooreinde; hieraan en aan een nokje eenige paardenharen (?). Z.

L» viool 62, gr. br. 15, L strijkstok 55 cM.

654/6 f). Als voren (keso-keso), met twee snaren, de kast half peervormig, met hertenvel bespannen, langs de randen met rood katoen omzoomd; op de achterzijde is een hartvormig figuur uitgesneden; de kast verlakt, de hals en de voet van roodbruin hout, de eerste van boven achthoekig, aan beide uiteinden met ringvormige groeven versierd. De snaren van geel koperdraad, de stemschroeven achthoekig, van geel hout. Dè strijkstok met schijfvormig vooreinde en haakvormig handvat, met paardenhaar bespannen. Makassar.

L. 79, 1. hals 44,5, br. klankkist 18 cM.

1009/848). Als voren (keso-keso), doch de hals en de stemschroeven, waarvan een ontbreekt, zwart gekleurd. De klankkist met een dun vel bespannen; aan de achterzijde eene hartvormige insnijding. Strijkstok van bruin hout, met paardehaar bespannen; het achtereinde bladvormig verbreed, het vooreinde van hoorn, over het grootste gedeelte zeer dun en naar boven gebogen. Gowa.

L. 48,5, 1. hals 28, br. klankkist 9,4 cM.

1) N. St. Crt. van 11 Aug. 1889, n°. 161. — Matthes, Atlas, pl. VIII, fig. 20.

2) N. St. Crt.'van 11 Aug. 1889, n°. 161. '

3) Matthes, Mak. Wdb. 94, s. v. 1° gênggong met Atlas, pl. VIII, fig. 18. — Engelhard, 1. c. 309.

4) N. St. Crt. van 11 Juli 1889, n°. 161. 5) Cat. Bat. Tent. n». 2044.

6) Matthes, Mak. Wdb. 89, s. v. kêsó met Atlas, pl. VIII, fig. 24a—b. — Engelhard, 1. c. 309

7) N. St. Crt. van 11 Aug. 1889, n°. 161.

8) Cat Bat. Tent. n». 2041. — Vgl. Weber in I. A. f. E. III, Suppl. p. 41, niet pl. II, fig. 17a—b.

Sluiten