Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

804/274. Viool, als voren, doch de klankkist schotel vormig, van klapperdop, met een dun vel bespannen, aan de achterzijde van eenige ronde en een stervormig gaatje voorzien. De voet cylindervormig, met diepe, ringvormige groeven. De hals ruw bewerkt, in doorsnede vierkant, het uiteinde in den vorm eener lange, breede plaat met afgeronde hoeken en ge kartelden rand; slechts één dunne, geelkoperen snaar. Ruw bewerkte strijkstok van wit hout, het eene einde schijfvormig, het andere vogelbekvormig, met paardehaar bespannen. Gowa.

L. 71, L hals 47,5, br. klankkist 17,5 cM.

802/8. Gitaar (ka/japi1), van wit hout, schuitvormig, aan beide einden met snijwerk versierd; het eene einde bekvormig, het andere krulvormig uitgesneden, van binnen hol en voorzien van een lossen bodem met zwaluwstaartvormige uiteinden, waarin twee groepen, ieder van vijf ingebrande gaten, een groot in het midden en vier kleine, op regelmatige onderlinge afstanden daaromheen, zich bevinden. Langs het midden van twee derden der bovenzijde een hooge rug, die op eenigen afstand van het eene einde door een ovaal, kokervormig uitsteeksel, waardoor de twee dunne snaren van geel koperdraad zijn geregen, in twee helften wordt verdeeld. De voorste helft van den rug is gekarteld en verbonden met eene groep van vijf op elkander volgende, cylindervormige uitsteeksels, die onderling door tusschenschotjes uit hetzelfde stuk hout aan elkander zijn verbonden en waarop bij het bespelen de vingers worden geplaatst. Bij het voorste der zuilvormige uitsteeksels begint weder een hooge rug, die vervolgens in een kokervormig uitsteeksel overgaat en waardoor het andere einde der snaren, dat tevens aan twee, in het bekvonnige vooreinde draaiende stemschroeven is bevestigd, geregen is. — Dit instrument is alleen aangetroffen in Wadjo, Sopeng en Sidenreng. Dikwijls wordt het alleen bespeeld, somtijds wordt daarbij ook gezongen. Met den duim der rechterhand wordt eene of ook beide snaren tegelijk aangeslagen. Met de linkerhand wordt het instrument vastgehouden en alleen de rechtersnaar met een der vingers der linkerhand neergedrukt, evenals bij het vioolspelen. Er worden acht a tien diverse toonen uit te voorschijn gebracht. Z.

L. 68, br. 9, h. 4 cM.

1130/100s). Als voren (katjapi), van geel hout, doch veel fraaier uitgesneden. De hals met bloem- en bladkrulvormig snijwerk a jour aan het uiteinde, de zijkanten van den hals en van het uiteinde van de klankkist met ronde bloemen en bladranken en reliëf versierd. De vijf uitsteeksels op den hals door verticale insnijdingen zuilvormig. De eene helft van de bovenzijde van de klankkist zwart geverfd, de andere met driehoeken en reliëf versierd. Ook de rug, die den cylinder op de klankkist met het uiteinde verbindt, is bladkrulvormig a jour uitgesneden. In den bodem twee groepen van vijf gaten, door lusvormig snijwerk omringd. Aan de onderzijde van den hals lusvormig snijwerk en reliëf. Op een der zijkanten van de klankkist een opschrift in Boegineesche karakters, waaruit blijkt, aan wien de gitaar heeft toebehoord en wie de tegenwoordige bezitter is, na de reparatie. Z.

L. 73, br. xi,s, h. 9,5 cM. Zie pl. VII, fig. 2 en 3.

1895/72 »). Als voten, doch van bruin hout, plat ovaal, naar het eene einde uitloopend in een a jour met bladkrullen versierde punt. Op het bovenvlak een krul tusschen een grooten én vijf kleinere, aaneengesloten kolommen. Een stemschroef en de snaren ontbreken. Het snijwerk aan den hals gedeeltelijk wit en blauw gekleurd. In den bodem een rond en twee stervormige gaten. Z.

L. 85, br. 11, h. 9 cM.

IV. Dans*).

37/174. Hoofdsieraad (djoengge6), vervaardigd van bamboe, met papier beplakt, halvemaanvormig met twee bamboetanden. Aan weerszijden een lang afhangende

1) Matthes, Boeg. Wdb. 25, s. v. katji.fi. ' 2) Serie 1130 aankoop Juli 1897.

3) Serie 1895 don. E. E. W. G. Schröder, Sept. 1914. 4) Engelhard, 1. c. 310—313. 5) Matthes, Mak. Wdb. 534, s. v. djoengge met Atlas, pl. XV, fig. 8.

Sluiten