Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

basis is verbonden. Om het midden van den buik, bij n°. 64 ook rondom den mond, een diep gekartelde rug. De bovenhelft van den buik met elkaar kruisende, roode strepen, bij n°. 64 tusschen twee rondgaande strepen, waardoor driehoeken en bij n9. 64 ook ruiten worden omsloten, ieder met een kruis- of hoekvormig (64) of driehoekig (71), door den wand geprikt gat als kern. — Om welriekende stoffen te branden. 64: Takalar, 71: Gowa. H. 17,5 en 6, dm. 15,6 en 9,2 cM.

1008/37 r). Wierookvaten (adoepa-doepang9), als voren, doch vaasvormig, op schuinen, nngvormigen voet; de buitenwand van boven met paren loodrechte ruggen, afgewisseld door twee elkaar kruisende ruggen. Tusschen de armen der laatste en in het midden tusschen de loodrechte ruggen bevinden zich ronde, ondiepe gaatjes. Boelekomba.

H. 15, dm. 16 cM.

1008/63 8). Als voren (padoepang), met deksel, vaasvormig op schuin afloopenden, ringvormigen voet; de mondrand hoepel vormig verdikt, de buik met schuine, loodrechte en rondgaande, gekartelde ruggen, waardoor onder den mond driehoeken en daaronder rechthoeken worden omsloten. In ieder der driehoekige vakken is een gat door den wand geboord. — Dient om reukwerk (doepa) te branden. Takalar.

H. 14,5, dm. 14,5 cM. Zie pl. II, fig. 3.

1008/62*). Als voren (sabangang9), de rand van den voet hoepel vormig verdikt. De buik onder den mondrand versierd met' eene ingegrifte zigzaglijn binnen twee ingegrifte cirkels, waardoor een aantal driehoeken worden omsloten, die om den anderen met vier ingedrukte gaatjes, een grooter en drie kleinere daaromheen, zijn gevuld. Daaronder is de buik versierd met een aantal loodrechte, binnen twee rondgaande ruggen, alle eenigszins touwvormig, waardoor rechthoeken in het middengedeelte van den buik worden omsloten. Het midden van het bolle deksel is plat met gekartelden rand en van een oogvormigen greep voorzien. — Dient voor het bewierooken van doeken. Takalar.

H. 31, dm. 30,5 cM.

37/351. Als voren (sabangang9), rond, buikig, op voet en met uitstaanden rand; op het oppervlak getande en zigzagreliefranden en ingesneden rijen groote en kleine driehoeken en punten. — Gebezigd om het een en ander in te branden, ten einde de booze geesten door rook te verdrijven. Z.

H. 29, dm. 36 cM.

697/2?). Als voren (sabangang9), met wijde opening, naar onderen smaller. Onder den bovenrand bevindt zich een, met witte verf gevulde gleuf, vervolgens een verheven lijst met ingedrukte holten, daaronder een tweede ringvormige gleuf met vierkante openingen op een afstand van 7 cM. van elkander; ten slotte een dubbele lijst met ingedrukte holten, waartusschen een dito zigzaglijst loopt met eene vierkante opening in iedere buiging. De buik is effen en alleen versierd met loodrechte strepen op een afstand van 14 cM. van elkander, ruw in witte verf geschilderd; de binnenzijden geheel zwart berookt. Makassar.

H. 34, dm. van boven 32, gr. dm. 37, dm. voet 24 cM.

1) Cat. Bat. Tent. p. 184, n°. 1955.

2) Matthes, Boeg. Wdb. 387, s. v. i° doepa.

3) Cat. Bat. Tent. n°. 1974.

4) Cat. Bat Tent. p. 186, n°. 1977.

5) Matthes, Mak. Wdb. 737, s. v. sabangang met Atlas, pl. IX, fig. 31.

6) Matthes, Atlas, pl. IX, fig. 31. — Idem, Over de Bissoes, p. 8 met pl. I, fig. 33.

7) N. St Crt. van 11 Juli 1889, n°. 161.

8) Matthes, Einige Eigcnthümlichkeiten in den Festen und Gewohnheiten der Makassaren und Buginesen (Actes du 6e Congres international des Orientalistes IV, 284).

Sluiten