Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorkruist worden. — Zinspeelt op voorspoed, die zooveel glans om zich verspreidt als het zevengesternte. Z. Br. reepen 1 cM.

131/51. Pasili baba1), bestaande uit twee lontarbladreepen, wier uiteinden lusvormig omgebogen en door een derden reep gekruist worden, met cylindervormigen, diagonaal gevlochten steel. — Symbool van het weggezweept worden van ziekte en ongeluk. Z.

L. 31, br. reepen 1,3 cM.

131/48. Pasili toepa»), bestaande uit een lontarbladreep, in het midden eivormig geknoopt, waardoor tevens twee lussen gevormd worden. — Zinspeelt op geluk \oepd). Z.

Br. reep 1,4 cM.

802/20. Pasili oeloe, bestaande uit twee lontarbladreepen, wier uiteinden om elkander heen gewonden en in een stompen hoek naar boven gebogen zijn, in den vorm van een hoofdband. Z.

Br. 1 cM.

802/12. Boeloe koempa8), vervaardigd uit vier reepen lontarblad, wier midden tot eene' ster met lusvormige en puntige stralen is gefatsoeneerd en die op eenigen afstand, aan weerskanten daarvan, in elkander zijn geknoopt. Z.

Br. reepen 1, dm. ster ± ° CM.

802/17. Tali yoega, bestaande uit twee lontarbladreepen, die op eenigen afstand van het midden door elkander heen zijn gestrikt. Z. Br. reepen 1 cM.

802/11. Sape bola*), bestaande uit twee op elkander geplaatste reepen lontarblad, waarin op een korten onderlingen afstand van elkaar twee strikken zijn gevormd, terwijl de einden schuin tegen elkander zijn gericht Z.

Br. reepen 1,5 cM.

802/16. Sikoe6), op n°. n gelijkende, doch de einden der reepen in tegenovergestelde richting van elkaar staande, door een dwarsreep in het midden verbonden. Z. Br. reepen 1, 1. middenstrik 4,5 cM.

802/14. Manoe-manoe tjakeroe-eroe«), bestaande uit een, van lontarbladreepen diagonaal gevlochten vogel; de staart door vier lusvormige uitsteeksels voorgesteld. Z.

L. 16, br. 3, br. reepen 0,7 cM.

802/8. Gadjangï), bestaande uit twee reepen lontarblad, die langs een rotanreep tot een slangvormig figuur in elkander zijn gevlochten. Z. L. 26, br. 3 cM.

131/28. Odja8), stok van de middelnerf van lontar- of nipaAAAad, omwonden met vlechtwerk van lontar- of nipaA-\AaA, waar een rood geverfd blad van dezelfde soort doorheen gehaald is. Z.

L. 144, br. 4,1 cM.

1) Matthes, Over de Bissoes, p. 37 met pl. IV, fig. dd. — Idem, Boeg. Wdb. 172, s. y. b&bd:

"^"matthes, Over dt Bissoes, p. 37 met pl. IV, fig. oa. — Idem, Boeg.^ Wdb. 740, s. v. sili.

3) Matthes, Boeg. Wdb. 213, s. v. l° boeloe: „haar" en 14, s. v. koempa: „foudraal van het lemmet." . „

4) Matthes, Boeg. Wdb. 681, s. v. l° sape: „holte" en 217, s. v. bola: „hms.

5) Matthes, Boeg. Wdb. 665, s. v. i° sikoe: „elleboog, hoek."

6) Matthes, Boeg. Wdb. 251, s. v. mdnoe: „vogel" en 859, s. v. l° êroe: „betooveren.

7) Matthes, Boeg. Wdb. 64, s. v. gadjang: „kris."

8) Matthes, Mak. Wdb. 866, s. v. ódja met Atlas, pL.IX, fig. 13 en 18*. — Idem, Over de Bissoes, p. 6 met pl. I, fig. 13 en iSb.

Sluiten