Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37/359» Boelo lae-lae1), bamboe, over een groot deel meermalen gespleten en door een rotanringetje omgeven; nabij het andere einde een gat, waarop met veel geweld met een andere bamboe geslagen wordt. Z.

L. 142, dra. 5,5 cM.

37/371. Padoeka setang*), bestaande uit:

a. een stuk bamboe (paramatang), met wit katoen overtrokken; hieraan gebonden een zigzagvormig van lontarbladreepen gevlochten stok (odja);

b. een bosje bladnerven (adidi);

c. een hakmes (tinangke) met witte dwarsstrepen op het lemmet en paardenhoefvormigen greep van grijsbruin hout, naar de snedezijde toegebogen. Z.

L. bamboe 57, dm. 6,5, L hakmes 42, br. lemmet 5 cM.

37/357- Boelo alae-laeyang»), bamboe, aan beide einden open; dient om op een anderen duivelbanner (boelo lae-lae) te slaan. Z. L. 125, dm. 6,5 cM.

131/39. Aroempigi4), een bamboekoker, gevuld met allerlei snuisterijen, met rood, aan de einden ook met wit en blauw gebloemd katoen omkleed. Aan het eene uiteinde een nagebootste vogelkop, met rood en oranje katoen en grijs (?) fluweel bekleed; aan het andere uiteinde een (thans ontbrekende) staart, uit verscheidene reepen gekleurd katoen samengesteld. Z.

L. 88,5, dm. 6,5 cM.

370/2034'). Als voren, doch de omkleeding van rood en wit katoen, de vogelkop van hout, met rood katoen omkleed, behalve den bek. Staart van witte en oranje draden, uitloopende in zwarte kralen en ruitvormige stukjes blik. Z.

L. 67, dm. 3,5 cM.

1926/673«). Als voren (aroempigi), doch van palmbladreepen diagonaal gevlochten en met geel katoen overtrokken. De driehoekige vogelkop gestileerd en geheel met rood katoen overtrokken. De staart in tien slippen van ongekleurde en roodbruine reepen uitloopend. Z.

L. 83, dm. 21 cM.

800/9. Als voren (aroempigi'1), doch aan het eene einde twee kleine, met rood katoen omwoelde vogelkoppen van vlechtwerk met geopenden bek en tong van zwart katoen. De zeven strooken vlechtwerk, die den staart vormen, plat zigzagvormig gefatsoeneerd en uit diagonaal vlechtwerk bestaande, evenals het lichaam, dat bovendien met tal van uitsteeksels versierd, doch niet bekleed is. Z.

L. 79, dm. 13 cM.

131/38. Alosoe8), bamboekoker, met diagonaal gevlochten lontarbladreepen van verschillende kleuren (rood, zwart, oranje en ongekleurd) bekleed, met uitsteeksels op den rug; aan het eene uiteinde, dat met wit, rood, groen en oranje katoen bekleed is, een buceros-kop, aan het andere een lange staart, die uit elf reepen gevlochten en gedeeltelijk rood, bruin of zwart gekleurd lontarblad is samengesteld. De

1) Matthes, Boeg. Wdb. 619, s. v. Idë met Atlas, pl. IX, fig. 15. — Idem, Over de Bissoes, p. 6 met pl. I, fig. 15-

2) matthes, Atlas, pl. IX, fig. 18. — Idem, Over de Bissoes, p. 6 met pl. I, fig. i».

3) Matthes, Mak. Wdb. 706, s. v. Ide met Atlas, pl. IX, fig. 16. — Idem, Over de Bissoes, p. 6 met pl. I, fig. 16.

4) Matthes, Mak. Wdb. 885, s. v. aroempigi met Atlas, pl. IXa, fig. k. — Idem, Over de Bissoes, p. 9 met pl. II, fig. h.

5) Cat. Kol. Tent. Amst. 1883, 12e kl. n». ii.

6) Serie 1926 don. Bat. Gen. v. K. en W. Juni 1916.

7) Matthes, Over de Bissoes, p. 9 met pl. II, fig. k.

8) Matthes, Mak. Wdb. 904, s. v. alosoe met Atlas, pl. IXa, fig. 1'. — Idem, Over de Bissoes, p. 9 met pl. IÏ, fig. i.

Sluiten