Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

131/43. Toestel (tangaring1), van blik, eenigszins in den vorm van een vogelkooi, met rond voetstuk. In het midden een wierookvaatje (adoepadoepang), van bruine, gebakken aarde, met deksel, de buitenzijde met ingegrifte ruiten, halve cirkels en bloemen versierd. Rondom de buitenzijde hangen drie rijen kopjes van wit porselein, die met geroosterde, rood, wit en zwart gekleurde rijst en met betelblad worden gevuld, aan oranje draden; geheel bovenaan vier doosjes van groen verglaasde, gebakken aarde, met deksel, voor welriekende olie (drie hiervan ontbreken). Z.

H. 41,5, dm. 35 cM.

131/64. Stokje, van rotan, aan het eene einde daarop vastgebonden een klein wigvormig stukje hout. — Bestemming onbekend, .ftxttv-instrument? Z. L. 89,5 cM.

e. Voorouderbeelden.

1424/1*). Voorouderbeeld, van de mannelijke sekse (boeranef), van bruin hout, in staande houding, naar onderen in een rechthoekig voetstuk eindigend. Bolvormig hoofd met ruwe voorstelling der ooren, platten neus, met kalk gevulde oogen en geopenden mond; platte borst met voorstelling van den linker borsttepel; de armen door snijwerk voorgesteld, de linkerhand op den dikken buik en de rechter tegen het pudendum gehouden; de beenen in doorsnede vierkant. Bonerate.

H. 26, dm. voetstuk 4,7 X 6,2 cM.

1424/2. Als voren, doch van de vrouwelijke sekse (baïne*), veel ruwer bewerkt, zonder voorstelling der armen; oogen, ooren, neus, mond en pudendum door min of. meer flauwe insnijdingen aangeduid. De beenen achthoekig in doorsnede. Bonerate.

H. 30, dm. voetstuk ± 6 X 8 cM.

d. Voorwerpen op den Islam betrekking hebbende.

804/281*). Sieraad, kroonvormig, op vier staafjes rustende, die uit een bloemkelk te voorschijn treden, welks ondereinde aan een rotansteel is bevestigd; het geheele sieraad is van verschillend gekleurd papier, rood en ongekleurd klatergoud, alsmede dun, rood en geel katoenen weefsel vervaardigd. Aan de kroon zijn van papier een aantal bloemen gevormd en op twee tegenover elkaar liggende plaatsen een aantal rond of puntig eindigende, recht opstaande of zijdelings gebogen vleugelvormige uitsteeksels. — Wordt aan vrienden en bekenden bij gelegenheid van het Moeloed-tetst ten geschenke gegeven. Gowa.

H. 46, dm. 26 cM.

37/233- Priesterdolk (badi goeroe*), het lemmet recht, de rug recht, de snede flauw concaaf en met convexen boog in de punt overgaand; op de zijden een ruw geteekende kring (geluksteeken). Greep van bruin hout, in doorsnede puntig ovaal, sterk gebogen, het bovenvlak schuin afgesneden en uitgeschulpt. Scheede van bruin hout, in doorsnede puntig ovaal, onderaan een gelijkvormig stuk geel hout, boven naar de snedezijde met afgerond uitsteeksel. Z.

L. lemmet 18, br. 2,2, 1. greep 5, 1. scheede 26,5, br. 4—4,5 cM.

202/1 7). Als voren, doch het lemmet gebogen, tweesnijdend, de beide zijden van boven dik, van onderen scherp. In het midden eene vedervormige, met zilver ingelegde versiering en aan het boveneinde twee elkaar kruisende driehoeken in een

1) Matthes, Boeg. Wdb. 282, s. v. tangaring. — Idem, Over de Bissoes, 10, met pL IV, fig. m.

2) Serie 1424 don. G. W. W. C. baron van Hoëvell, Febr. 1904.

3) Matthes, Mak. Wdb. 267, s. v. boerine.

4) Matthes, Mak. Wdb. 311, s. v. baine.

5) Weber in /. A. f. E. III, Sufpl. p. 42 met pl. II, fig. 8.

6) Matthes, Mak. Wdb. 235, s. v. bidi met Atlas, pl. VII, fig. 19. — Het is twijfelachtig, wat hier met goeroe bedoeld wordt.

7) Serie 202 don. Mr. M. C. Piepers, April 1878.

Sluiten