Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cirkel met Arabische cijfers in de daardoor gevormde segmenten {koe^kd) en daaronder eene bladversiering, alles met zilver ingelegd. Greep van buffelhoorn, van boven omgebogen en bloemknopvormig opengewerkt, doch beschadigd. Scheede van denzelfden vorm als het lemmet, uit twee stukken geelbruin hout bestaande, die door een rotanring samengehouden worden. Makassar.

L. lemmet 21,2, br. 3, L greep 9,5, L scheede 25, br. 3,8 cM.

37/135. Tabbaard (djoemba1), van bont gebloemd katoen, met lange mouwen, van voren geheel open en daar met rooden rand aan de binnenzijde. — Vooral des Vrijdags in de moskee door beambten gedragen. Z.

L. 123, br. tusschen de schouders 52, 1. mouwen 61 cM.

37/141 & 141a. Bidkleed (ialako*), rechthoekige lap dun, wit katoen; hierbij een muts ») (141a) van dezelfde stof, dubbele, rechthoekige lap, langs eene lange zijde en een deel van eene korte aan elkaar genaaid. — In het bijzonder voor vrouwen. Z.

L. kleed 310, br. 222, h. muts 58, br. 30 cM.

37/142. Bidkleedje (satinring*), van wollige stof, donkergroen met bont gebloemden rand en groene franje. - Op het opgevouwen kleedje (moesala) wordt bij de ritueele godsdienstoefeningen telkens met het hoofd gerust. L.

L. en br. 119 cM.

27/168. Rozenkrans (tasabe% bestaande uit honderd ronde en twee platte, beenen kralen, vereenigd in een beenen, kegelvormig staafje met dwarsgroeven. Z. L. (dubbel gevouwen): 41 cM.

1000/30«). Rijstmandjes (bakoe kanre maoedoe% van onderen zeshoekig, van boven rond, met platten bodem, volgens het drierichtingssysteem van bladreepen gevlochten met een rand van roode en zwarte reepen langs den boven- en onderkant der buitenzijde van den wand. Twee exemplaren. - Bij het Moe/oed-feest gebruikt. Gowa.

H. 6,5, dm. 10 cM.

V. Genees- en heelkunde.

37/34C Medicijndoos (bakoe paba/e»), van rechthoekig gevlochten lontarbladreepen over een houten raamwerk; rechthoekig met deksel, schuivend over een opstaanden rand; de buitenzijde van ongekleurde en zwarte reepen in een patroon van kruisen binnen ruiten of van afwisselende schuine strepen; de randen van doos en deksel rood en wit gestreept; het inwendige in drie vakken verdeeld en daann groote en kleine bakjes voor medicijnen. Z.

L. 36, br. 27, h. 16 cM.

1009/46 "). Als voren (bakoe pabale), tevens siriA-doos. Vorm en vlechtwijze als voren, doen de reepen van binnen ongekleurd, van buiten rood en ongek eurdu Het patróón als voren. De binnenruimte bevat een rood aarden wierookschoteltje (padoepang) op zeer breeden voet") met gelanden rand, een klem, puntig oploopend hoedvormig bakje, volgens het drierichtingssysteem van bladreepen gevlochten, en een amulet (« JU) bestaande uit een aantal op elkaar liggende bladreepen, wier einden

1) Matthes, Mak. Wdb. 539, s. v. djoemba met Atlas, pl. XIV, fig. 18.

2) Matthes, Mak. Wdb. 456, s. v. tal&kko.

3) Matthes, Atlas, pl. XIV, fig. 15. "/ *

4) Matthes, Mak. Wdb. 794, s. v. i° salinrtng met Atlas, pl. XIV, hg. 17.

5) Matthes, Mak. Wdb. 465, s. v. tasdbe met Atlas, pl. XIV, fig. 19.

6) Cat, Bat. Tent. n«. 1994^, waar kanra een drukfout is voor kanre. ^

7) Matthes, Mak. Wdb. 51, s. v. kanre: „eten, rijst" en 350, s. v. maoedoe: „geboortedag van

[ohammed." v ,

8) Matthes, Mak. Wdb. 278, s. v. 5° bille met Atas, pl. IX, fig. 27.

9) Cat. BatTTent. n". 1999. 10) Matthes, Atlas pl. IX, fig. 23. 11) Matthes, Mak. Wdb. 753, s. v. 2° sinto met Atlas, pl. lx, hg. 25.

Sluiten