Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Opwekkende middelen.

1456/98. Sirihtaschi), van een dubbele laag ongekleurde lontarbladreepen diagonaal gevlochten, die van de binnenste het breedst. De bodem rechthoekig, naar boven nauwer, de bovenopening ovaal en omgeven door een rij schuin ingestoken reepjes. Nabij de opening dwars doorgestoken een dik, grijs draagtouw, waaraan een zwarte kraal. In de tasch een gelijkvormige tasch van diagonaal gevlochten, ongekleurde, breede reepen, die aan den bovenrand naar buiten zijn omgevlochten. Tinondo. Z. O.

H. 19, 1. bodem 17, br. 7, 1. boven 14, br. 4,5 cM.

1456/89. Als voren, doch buikig van vorm. De binnenste laag diagonaal lontarbladvlechtwerk ongekleurd, de buitenste zwart, de onderste helft overvlochten met roode en witte reepen en gele orchideeënstengels *); patroon: ruiten, gevuld met kruisen, vierkanten en driehoeken. Tegen de zijkanten is een reep wit en rood gestreept katoen als draagband aangenaaid. Kandari. Z. O.

H. 13, 1. bodem 20, br. 10, 1. boven 13, br. 6 cM.

1926/780*). Sirihdoos (toèa*), rechthoekig, van palmbladreepen rechthoekig gevlochten, van binnen ongekleurd, van buiten ongekleurd en rood. De bodem en het bovenvlak van het opschuivende deksel met bladscheede bekleed 6). De randen met rood en zwart gekleurde reepen overtrokken. Boeton.

L. 20,5, br. 13, h. 12,5 cM.

1890/2. Sirihzak (kadoe), van geruit katoen, rechthoekig; op de buitenzijde zijn binnen vierkanten schuine kruisen in schuine richting opgenaaid. Rood, wit, zwart, oranje en blauw. Aan den bovenrand een touwtje. Kandari. Z. O.

H. 20, br. 14 cM.

1904/309 8). Kalkpotje, van geelkoper, platrond met uitstaanden voet, de bovenste helft als deksel dienend. Op het bovenvlak paren rondgaande groeven en een cylindervormige knop. Boeton.

H. 4,5, Dm. 5 cM.

1904/308*). Sirihdoos, van geelkoper, rond, met opschuivend deksel, boven iets grooter dan beneden. Op het bovenvlak rondgaande groeven en zeer grof bladornament. Boeton.

Dm. 6, h. 2 cM.

1926/636—637»). Pinangscharen, van ijzer, in den vorm van een paardekop met open (636) of gesloten (637) bek, de manen min (636) of meer (637) uitgewerkt, in een punt (636) of tweeslippig (637) uitloopend, met puntigen (636) of stompen (637) staart. Mengkoka. Z. O.

L. 16,8 en 16,4, br. 6 en 4,5 cM. Zie pl. I, fig. 3 (1926/637).

1904/307'). Tabaksdoos10), van been, onvoltooid. Cylindervormig, de einden wijder, de buitenzijde versierd met ingeprikt ornament: randen, hartvormige figuren en driehoeken. Mengkoka.

L. 7,5, dm. 3,5 cM.

1) Vgl. Meyer nnd Richter, Celebes, I, pl. XXIII, fig. 7.

2) Sarasin, Reisen in Celebes, I, 361.

3) Not. Bat. Gen. XLVI (1908), p. XCII, n°. 13479.

4) van Affelen van Saemsfoort, T. I. T. L. Vk. L, 314—315 met pl. IV. —Jasper, Vlecht' werk, 159.

5) Vgl- Jasper, Vlechtwerk, 159.

6) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXII, n°. 164863.

7) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXI, n». 16486.

8) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. XC, n°. 16755.

9) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXVII, n°. 16548.

10) Kruyt, T. N. A. G. 2= Ser. XXXIX (1922), p. 684—685.

Cat. Rijks-Ethn. Museum, Dl. XVHI. 6

Sluiten