Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladreepen. De groene driehoeken en het groene gedeelte van de punt met micaplaatjes versierd. Aan den rand en op de punt een patroon van ongekleurde Andreaskruisen in driehoeken op rooden grond. Hetzelfde patroon aan de buitenzijde van den hoofdring, die met groen katoen omboord is. O. (?). Dm. 77, h. 13 cM.

150/11). Hoed, als voren, doch platter, van aaneengenaaide lontarbladreepen. In het midden een zwarte, zestienpuntige ster, die door acht gele stralen van orchideestengels in acht gelijke deelen verdeeld is. In ieder dezer deelen een witte, met mica bedekte, ineengekrulde spiraal met roode omtrekken, terwijl de overige ruimte gevuld is met gele sterren en roode ruiten met gele omtrekken. In het midden van den bol een witte, met mica bedekte ruit met rood en gele omtrekken en daarin een roode, achtpuntige ster met gele omtrekken op zwarten grond. De rand rood gekleurd met een gelen orchideestengel in het midden, aan den binnenkant gevolgd door een zwarte streep met ongekleurde kruisen. De hoofdring van buiten van afwisselend roode, zwarte en ongekleurde reepen. Tomboekoe?

Dm. 75, h. 8 cM. Zie pl. VI, fig. 4.

b. Bedekking van het bovenlichaam.

1106/15»). Sjaal (palangif), van dun katoen, rechthoekig, met geknoopte franje. Met behulp van imitatie plangi-procé&é zeer primitief geverfd: oranje met groote, zespuntige, wit, paars, geel, oranje en groen gekleurde ster, verder gele en blauwe stippen; de franje veelkleurig. Banggaai. O.

L. 108, br. 64 cM.

1106/31. Baadje, van geklopten boombast»), wit, papierachtig; lange mouwen, ronde halsopening met staand kraagje, Overigens geheel gesloten. Tomboekoe. L. 50, br. tusschen de schouders 42, 1. mouwen 52 cM.

1106/64. Als voren, doch bruin, perkamentachtig; halve mouwen, wijde halsopening met staand kraagje, verder geheel gesloten. Tomboekoe. L. 51, br. tusschen de schouders 43, 1. mouwen 48 cM.

1456/146. Als voren, doch van roodbruinen, geklopten boomschors, met korte, aangenaaide mouwen; ronde halsopening met kort borstsplit; de randen hiervan dubbel; de zijden met een overslag aan elkaar genaaid. Nabij den dubbelen onderrand aan weerszijden driehoekig uitstekend. Alle stiksels met grijs garen. Lamboega. Z. O.

L. 60, br. tusschen de schouders 49, 1. mouwen 43 cM.

61/31. Baadje, van een voorvechter, van grof, wit katoen, met een roode tusschen twee blauwe of een blauwe tusschen twee roode langsstrepen. Met smalle borstopening. Zonder mouwen. Van onderen met franje. Boeton.

L. 85, br. 60 cM.

t. Bedekking van het benedenlichaam.

1106/65. Sarong, van geklopten boombast, bruin, perkamentachtig.' Tomboekoe. Br. (dubbel): 83, h. 90 cM.

1106/34. Als voren, doch van katoen, nog niet doorgeknipt en niet aaneengenaaid, donkerblauw, met fijne, witte ruiten; op twee plaatsen een hoofd, bestaande uit breede, witte en groepen van witte strepen; aan eene zijde geglansd. — Vrouwenarbeid. Tomboekoe.

L. 417, br. 65 cM.

1) Serie 150 don. L. 't Hoen, Febr. 1875.

2) Serie 1106 don. Dr. D. W. Horst, Oct. 1896.

3) Sarasin, Reisen in Celebes, I, 360. — Kruyt (T. I. T. L. Vk. LXI), p. 449.

Sluiten