Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vicruc rooa, paars, geei, groen en zwart, ae vierde bovendien wit; van verschillende breedte, met een patroon van strepen in de lengte en bij twee exemplaren ook van dwarsstrepen. Aan de smalle einden franje. — Dient om de broek op te houden. Boeton.

L. 116, br. 2,3—4 cM.

GROEP HL

Bouwkunde en huisraad <). I. Matten.

1904/296'). Mat, van diagonaal gevlochten &«/«r(?)-bkdreepen; dubbele laag, de eene van smallere reepen dan de andere. Rechthoekig. Boeton. L. 191, br. 89 cM.

1926/814»). Als voren (bola*), van &*?«/-palmreepen rechthoekig gevlochten. De eene zijde ongekleurd, de andere met zwart, groen, rood, paars, geel en blauw gekleurde figuren: in het midden groote, zwarte, vierbladerige bloemen met roode omtrekken op gelen grond. Langs de randen gestileerde, zwarte bloemen met rood, geel en groen gekleurden kelk en bladranken op ongekleurden grond tusschen zwart en blauw geblokte randen. — Worden als afscheiding der vrouwen- en meisjesslaapplaatsen opgehangen. Waarde / 0.50. Kampongs Bente en Baloewoe, Bolio, Boeton.

L. 178, br. 107 cM.

1926/61316). Matje, rond, van /«««««-bladreepen gevlochten, in het midden volgens de dichte drierichtingsmethode, vervolgens diagonaal a jour en langs den rand zigzagvormig. De rand en drie plaatsen in het midden met rotan (?)-hoepels versterkt. Boeton.

Dm. 31 cM.

1818/11. Zit mat, dubbele laag diagonaal gevlochten, ongekleurde /«««««-reepen, de bovenste van smallere dan de onderste. Vierkant, de randen omboord met een breeden reep rood katoen, door een smallen, zwarten gevolgd. In het bovenvlak zwarte, roode en paarse reepen overgevlochten; patroon: groot, achtpuntig kruis, met een vierkant en gebroken lijnen gevuld en daaromheen kleine kruisen. Kandari. Z. O.

L. en br. 52 cM.

1818/13. Als voren, doch rechthoekig gevlochten van ongekleurde /«««««-reepen. Rond, de rand met rood en geel katoen omboord. In het bovenvlak zijn zwarte en roode reepen overge vlochten; patroon: vierkant met ruit als kern en verbindingslijnen met den omtrek der mat. Kandari. Z. O.

Dm. 42,5 cM.

1818/14. Ais voren, doch driehoekig met convexe zijden, met rood katoen omboord. In het bovenvlak zijn roode, zwarte en gele reepen overgevlochten; patroon: tot driehoekige figuren gestileerde menschenfiguren (?), een groote en talrijke kleine ruiten en dwars over de mat het woord: KyNDABI. Kandari. Z. O.

L. zijden 50 cM.

1) Literatuur: van der Hart, p. 16 met pl. 3 en 5. — Sarasin, o. c. I 349, 361, 362, 368. — Grubauer, 24, 27, 42, 63, 71, 78, 93, 98, 116, 123, 144, 145 met fie. 07. — Kruyt, T. N. A. G. 2e Ser. XXXDC (1922), p. 692. — Treffers, T. N. A. G. 2» Ser. XXXI (,0»4), P- 215—217. — Vosmaer, Verh. Bat. Gen. XVII, 67—68. — Kruyt, T. I. T. L. Vk. LXI, 448—449. — Beccari, o. c. 288.

2) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXIV, n°. 16518.

3) Not. Bat. Gen. XLVI (1908), p. XCI, n». 13467.

4) van Affelen van Saemsfoort, T. I. T. L. Vk. L, 310—311. — Jasper, Vlechtwerk, 118.

5) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. CIV, zfl. 17022.

Sluiten