Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ioopena. Aiwisseiena paars en donkerrood gekleurd met een ornament van ongekleurde kruisen aan den boven- en onderrand, alsmede onregelmatige, vierhoekige figuren, afwisselend ongekleurd en geel langs het midden van den wand en in den bodem. In het midden van den bodem een gaatje. Zonder deksel. Boeton. Dm. 14,5—19,5, h. 7 cM.

1904/289Doos, van bladscheede, rechthoekig, met om een rand opschuivend deksel. De binnenzijde bekleed met rechthoekig gevlochten /a«<&«-bladreepen, de buitenzijde aan de randen met paarse of zwarte reepen en daarbinnen ongekleurde, zwarte, gele, roode, groene en paarse ruiten. In de doos een tweede, rechthoekige met ingezonken deksel, van rechthoekig gevlochten /«««««-reepen, waarom zwarte en paarse randen met rijen ruiten en sterren. Het ingezonken deel van het deksel door wanden in drieën gedeeld; in het doosje twee horizontale banden, waaronder een rechthoekig bakje. Boeton.

Groote doos 1. 30, br. 22, h. 19, kleine doos 1. 24, br. 18, h. 10 cM.

1926/809 »). Als voren (sampa *), om kains op te bergen. In materiaal en vorm overeenkomend met n°. 1904/289, doch het ruitpatroon op de wanden alleen uit roode, zwarte en ongekleurde reepen bestaande. Binnenin geen tweede doos. Bente, Boeton.

L. 30, br. 23, h. 20 cM.

804/276*). Als voren, rechthoekig, met over een rand schuivend deksel, van aaneengenaaide stukken palmbladscheede vervaardigd; de buitenzijde van doos en deksel, met uitzondering van den bodem, bedekt met rechthoekig vlechtwerk van geel gekleurde bladreepen, waarin een zigzagvormig patroon te voorschijn komt; de randen van doos en deksel omboord met een strook zwart blad, die van veel ruitvormige gaatjes, met ongekleurd blad onderlegd, is voorzien en met een, daarop naar binnen volgenden, breeden reep rood gekleurd blad. — Van een der hoofden verkregen. Mengkoka. Z. O.

L. 34, br. 28, h. 22 cM.

618/11 *). Doosje (habila), langwerpig achtkantig, met overschuivend deksel, van geel gekleurde, aaneengenaaide /«««««-bladreepen vervaardigd. De onderzijde met dwars loopende reepjes rood gekleurde bladeren bekleed; de bovenrand van het deksel eenigszins convex en met een breeden rand van rood gekleurde bladeren waarop uit wit papier geknipte rank- en bladvormige figuren onder mica (batoe martgape) zijn bevestigd; van binnen zijn doos en deksel met rood gebloemd katoen bekleed; de doos is in drie vakjes verdeeld. Banggaai. O.

L. 12, br. 5,2, b. 4 cM.

Hl. Overig huisraad.

1904/304*). Kussenbekleedsels, twee paren, vanpandan-bhd, een paar rechthoekig, het andere achthoekig. Eene zijde bekleed met rood katoen, waarop stervormige figuren van zdverdraad op zwarten grond of vierpuntige sterren van paars en wit garen op rooden grond, met loovertjes daartusschen gestikt zijn. Boeton.

L. 13, br. 10 en dm. 11 cM.

1904/3007). Lamp»), van geelkoper, oliebakje rond met scherpen rand en voet, een uitstekende tuit en aan de andere zijde een vleugelvormig, « jour bewerkt uit steekseL. Cylindervormige poot met verdikkingen; groot, schotelvormig voetstuk. Boeton.

xi. 33, dm. 2—17 cM. 0

1) Not. Bat. Gen. LI (1913Ï, p. LXXV, tfi. 16520.

2) Not. Bat. Gen. XLVI (1908), p. XCII, n». 13481.

3) Elbkrt, 216. — T. I. T. Z. Vk. L, 315.

4) Serie 804 don. Prof. M. Webm, Nov. 1890. - N. St. Crt van 4 Aug. 1892, tfi. 181.

R SS% ï r -tjt F' "f™^ Juli *887- - N' St- Crt' ™ '8 Oct. 1889, n«. 246.

6) Not Bat. Gen. LI (1913), .p. LXXII, n°. 16489.

7) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXI, n°. 16485.

8) Vgl. Grubauer, p. 31, n°. 18 (afwijkend).

Sluiten