Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1654/7. Klewang's, als voren1), doch het ondereinde van het lemmet concaaf, de snede beitelvormig geslepen. Greep als voren, doch het ovale ondereinde met zwarte, gele en roode reepen in zigzagpatroon omvlochten en het knievormig gebogen boveneinde met groepen gele en roode reepen in ruitpatroon omvlochten. Ronde steelring van zwart hout, met twee inkepingen. In het midden van het bovenvlak een ijzeren punt. Zonder klos met menschenhaar en zonder handbedekking. O.

L. lemmet 55,5, br. 2,5—8, 1. greep 21, br. 2,7—9 cM,

1904/316s). Als voren, doch het lemmet groen geverfd, het vooreinde schuin afgesneden. Het ovale benedeneinde van de greep met rotanringen en vlechtwerk omwonden, het boveneinde zeshoekig, met twee rotanbanden en groepen elkaar kruisende reepen omvlochten; in het boveneinde een knop, versierd met menschenhaar en rood en blauw katoen; steelring van hoorn. Scheede van omgevouwen bladscheede, aan de zijde der snede met rotanreepen aaneengenaaid. Draaglus van bladreepen, aan de scheede bevestigd en met een oog daarom geslagen. Mengkoka.

L. lemmet 55, br. 2—8, 1. greep 27, 1. scheede 55, br. 12 cM.

5. Vuurwapens.

1971/412 8). Donderbus of musket, met vuursteenslot, de loop wijder uitloopend. Lade en kolf van donkerbruin hout. Het slot beschadigd en verlamd, de beugelkrop losgeraakt. Boeton.

L. 123, kal. aan de monding 6,3 cM.

1971/413. Percussiegeweer, de lade door drie ijzeren banden aan den laadstok bevestigd, de eerste aan het boveneinde met een reep geelkoper belegd. De beugelkrop en kolfplaat van geelkoper. Boeton.

L. 131, kal. 2 cM.

1971/414 & 414a. Vuursteengeweren, de laadstok bij n°. 414 ontbreekt, de loop rond (414) of zeskantig (414a). De beugelkrop bij n°. 414 met ingegrifte bladornamenten versierd; n°. 4140 zonder kolfplaat. Boeton.

L. 144,5 en '60,5, kal. 2 cM.

II. Verdedigingswapens.

I. Schilden.

1456/84. Schild1) (kanta), van rotan, rechthoekig met convexe langsranden, in doorsnede dak vormig met convexen middenrug; verticale rotanreepen, met smalle reepen stijf doorvlochten; over den middenrug eene overvlochten, dakvormige verhooging; de bovenrand met rotan omboord, de zijranden met reepen bamboe, die met rotan zijn bevestigd, de onderrand sterk beschadigd. Aan de binnenzijde over de geheele hoogte een houten handvat, naar het midden oploopend en met rechthoekig gat; het handvat met rotanreepen vastgebonden en daaraan een afhangend, grijs draagtouw. Aan de binnenzijde naast de opening van het handvat nog drie dwarse rotanlatten. Het vlechtwerk vertoont onder en boven onregelmatige rechthoeken. Towoeti-meti. Z. O.

H. 113, br. 17—23 cM.

38/1. Als voren, doch de buitenzijde geheel met haren bedekt, behalve vier banden schelpen, de beide middelste banden behalve met twee rijen JVassa-schelpen, waarvan de bovenste en de onderste in den vorm van kruisbloemen gerangschikt zijn, ook

1) Vgl. Sarasin, o. c. I, p. 339, fig. 104. — Meyer und Richter, Celebes, I, p. 101—103 met pl. XXII, fig. 11—13.

2) Not. Bat. Gen. LI (1913), p. LXXIX, n«. 16565.

3) Serie 1971 don. A. j. Gooszen, 1919. — Vgl. Vosmaer, 1. c. 99.

4) Meyer und Richter, Celebes, I, p. 97, n°. 608 met pl. XXII, fig. 8. — Sarasin, Reisen in Celebes, I, p. 321, fig. 100. — Vgl. Grubauer, p. 47, afb. 30. — Vosmaer, 1. c. 67.

Sluiten