Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaartuig, om aan te duiden, dat de gestorvene van beroep zeevaarder was. — In het huisje zou de ziel van den afgestorvene wijlen. De paal staat aan het hoofdeinde van het graf. Boeton. H. 267, br. boven 39,5 cM.

Midden-Celebes. GROEP I.

Spijs en drank. — Opwekkende middelen'). I. Gereedschap tot bereiding, gebruik en bewaring van spijzen. a. Van vlechtwerk.

1647/849. Rijstbord (lampa3), van volgens het drierichtingssysteem gevlochten, ongekleurde silar 8)-bladreepen; rond met uitstaanden voet en bovenrand, vaasvormig. Door overvlechting met rose en zwarte vezels is een patroon gevormd van rondgaande rijen rechthoeken, verticale of over den bodem straalsgewijze rijen ruiten, de laatste in eene zespuntige ster samenkomende. Posso.

H. 9, dm. 16—20 cM.

1232/6**). Mandje (bingka wando9), zoo genoemd naar het drierichtingssysteem, waarin het van /«««««-bladreepen gevlochten is. Van boven rond, van onderen zeshoekig. — Wordt gebruikt, om gestampte rijst in op te brengen. Toradja's.

H. 10, dm. 27,5—30 cM.

1232/23. Etensmand (karandji9), rond en fleschvormig, met overschuivend deksel. Diagonaal, open vlechtwerk van rotanreepen over horizontale hoepels. Het boveneinde met groote mazen. Het deksel met een, met rotanreepen omwoelden hoepel langs boven- en onderrand. Een dubbele reep bamboe, aan de mand bevestigd en door het deksel gehaald, dient als handvat. — Gebruikt, om het eten op te bergen. Toradja's.

H. 19, dm. 22,2 cM.

1232/13. Etensmand (pad/a7), diagonaal gevlochten van paren rotanvezels, op voet. De onderrand van den voet uitstaand, het bovengedeelte opengewerkt met langwerpig ovale openingen. De bodem van de mand plat met eene ronde opening in het midden, de wand met naar buiten omgebogen rand. — Om het eten in op te dragen. Toradja's.

H. 19,3, dm. boven 35, beneden 25 cM.

1300/17 8). Als voren (padja9), van ongekleurde bamboereepen volgens het open drierichtingssysteem gevlochten, rond, naar boven wijder met dubbelen randhoepel

1) Literatuur: Adriani en Kruyt, De Bare'e-sprekende Toradja's, II, 196—216. — Kruyt in M. N. Z. G. XL, 142—144, XLII, 64.

2) Jasper, Vlechtwerk, 197, 202. — Elbert, 216. 3) Jasper, o. c. 29.

4) Serie 1232 don. A. C. Kruyt, Nov. 1899.

5) Kruyt in M. N. Z. G. XL, 143. — Adriani en Kruyt, o. c. 328. — Wando — Mal. gild (gek). Vgl. kruyt, Woordenlijst van de Bare'e-taal, 81, s. v. wando. — Jasper, Vlechtwerk, 159, fig. 220.

6) Kruyt in M. N. Z. G. XL, 135. — Adriani en Kruyt, o. c. II, 189, 331.

7) Jasper, Vlechtwerk, 159 en 161, fig. 226. — Kruyt, Woordenlijst, 49, s. v. — Idem, M. N. Z. G. XL, 142, XLII, 64. — Adriani en Kruyt, II, 197 met pL „hoofdstuk huisraad en wapens," onderste rij in het midden.

8) Serie 1300 don. a. C. Kruyt, Maart 1901.

9) M. N. Z. G. XL, 131.

Sluiten