Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reepen bevestigd. Bovenaan een rotanlus. De bovenzijde concaaf, de onderzijde convex. Paloe. L- 37,5, br. 29,5 cM.

1926/372. Wan (tapi), als voren, doch ovaal, van ongekleurde en zwarte bamboereepen, waardoor een ruitpatroon gevormd wordt, zigzagvormig gevlochten. De rand als voren. Paloe.

Dm. 53 X 64 cM.

1926/371. Als voren, doch rond, van ongekleurde bamboereepen zigzagvormig gevlochten. Randhoepel van bamboe, met paren rotanreepen bevestigd. M. Dm. 52 cM.

1647/1342. Rijstwan, rechthoekig, in den vorm van een schepper, doordat twee der hoeken met omwoelde rotanreepen zijn ingetrokken1). Vlechtwijze en vlechtmateriaal als voren. De randen omgeven met dikke, rood gekleurde rotanreepen, die met fijne vezels zijn vastgebonden. Aan een der achtereinden een rood bamboestokje, door twee vischgraatvormig gevlochten rotanringen omgeven. Toradja's.

L. 75, br. 52 cM.

I047/757- Hanger (gentoenga *), volgens de vierrichtingsmethode gevlochten van gïbang 8j-bladreepen. Aan de onderzijde een gesloten cylinder, met vier zigzagreepen opgehangen aan een vierkant. — Voor borden, enz. Posso.

H. 48, dm. ± 5 cM.

1926/488 *). Als voren, van lontarbladreepen (daoen silarB) gevlochten, het bovenste en onderste gedeelte diagonaal en vierkant, het tusschenliggende gedeelte, dat in twaalf reepen gesplitst is, volgens de vierrichtingsmethode. — Voor kommen, enz. Tomini-bocht. M. (?).

H. 48, dm. ± 6 cM.

1926/531«). Als voren, doch het boveneinde rechthoekig en plat, naar onderen in vier cylindervormige reepen overgaande, diagonaal gevlochten. Het ondereinde plat, tot veelhoeken verbreed en volgens de vierrichtingsmethode gevlochten, uitloopende in een diagonaal gevlochten cylinder met vier uitsteeksels van onderen ?). Tomini-bocht. M. (?).

H. 51, br. 10 cM.

1647/855. Bordenhanger, van diagonaal gevlochten, ongekleurde, roode en zwarte «/«r-bladreepen, zoodanig beschadigd, dat de oorspronkelijke vorm niet meer is na te gaan; vermoedelijk bovenaan eindigend in een oog, onderaan in een cylinder met aanhangsels, deze beide door enkele en gesplitste reepen aan elkaar verbonden. Posso.

H. ± 60 cM.

b. Van klapperdop en kalebas.

1926/376 & 405. Watervaten, van klapperdop, met eene kleine opening van boven, peer- (376) of appel- (405) vormig, n°. 405 met ingekraste ruiten aan de bovenzijde. M.

Dm. 12,5 en 14,5, h. 13,5 en 12,5 cM.

1926/404. Als voren, doch de klapperdop meloenvormig uitgesneden en de kleine opening van boven door een ingesneden ster omgeven. In een hanger8), van palmbladreepen diagonaal gevlochten, met een ovale lus van boven, het middengedeelte in vier reepen met twaalfhoekige openingen gesplitst, het onderste gedeelte rechthoekig, in uitsteeksels uitloopend. M.

Dm. klapperdop 16, h. hanger 58 cM.

1) mason, Vocabulary, fig. 17. — van HASSELT, Atlas, pl. LXXIV, fig. 5.

2) Jasper, Vlechtwerk, 196, 203. — Adriani en Kruyt, II, 328.

3) Corypha umbraculifera (FrutT, n°. 2456).

4) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 138, n°. 6439. 5) Jasper, Vlechtwerk, 29.

6) Cat. Bat. Gen. Suppl. I, p. 138, n°. 6439.

7) Meyer und Richter, Celebes, I, pl. X, fig. 4.

8) Meyer und Richter, Celebes, I, pl. X, fig. 4.

Sluiten