Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1926/16—17. Kookpotten, als voren, de rand van boven effen (17) of gekarteld (16); bij n°. 17 in den convexen bodem vijf gaatjes. Paloe. Dm. 13 en 9, h. 10,6 en 9,2 cM.

1456/49. Als voren1), van gebakken aarde, rond, buikig, met schuin uitstaanden rand; hierin passend een rond deksel met concaaf bovenvlak, in het midden waarvan een cylindervormig knopje. Beka, beneden Paloe-dal. H. 9, dm. 11 cM.

1008/65 *)• Pot, van roodbruin aardewerk; de bodem convex, rondom den mond een breede, schuin staande rand; het deksel van onder convex, van boven concaaf en met een platten knop in het midden. Kaili.

H. 17, dm. 19 cM.

1232/30—31. Kommen (katoa), van roodbruine, gebakken aarde; de binnenzijde half bolvormig, de buitenzijde van boven recht afloopend en versierd met ingesnedene, verticale strepen (30) of driehoeken (31), naar onderen concaaf afloopend. De buitenzijde met hars bestreken *). Toradja's.

H. 11 en 13, dm. 23 en 25 cM.

1647/859. Omvlochten flesch (j)lesi male*), rechthoekige jeneverflesch met rotanreepen omvlochten. Het onderste deel, vischgraatvormig van paren reepen gevlochten, vormt een uitstaanden, ronden voet. Het middelste deel volgens het vierrichtingssysteem a jour6), de horizontale en verticale reepen dubbel, de schuine enkel; het bovenste gedeelte lusvormig è jour6) van paren reepen. Om den hals een vischgraatvormig gevlochten rotanringetje, waaraan een snoertje. Posso.

H. 32, dm. 8—10,5 cM.

II. Opwekkende middelen.

I. Sirih *).

1232/18. Sirihmandje (bako-baho9), vierkant, met overschuivend deksel, van tole 9)-bladreepen diagonaal gevlochten. De buitenrand van het deksel dubbel, volgens sierslag10) overvlochten. — Gebruikt om siriA-pinang in te bewaren. Toradja's. H. 5, 1. en br. 10 cM.

1926/660. Als voren, kubusvormig, van palmbladreepen rechthoekig gevlochten. Het inschuivende deksel uitgehold met twee kleine, vierkante afdeelingen in twee naast elkander liggende hoeken, rustende op een, aan de binnenzijde vooruitstekenden rand. Met draagsnoer van een bladreep, die aan den rand bevestigd is. M.

L. 12,5, br. 12, h. 11,6 cM.

1926/42. Sirihdoos, rechthoekig, van palmbladreepen diagonaal gevlochten, met overschuivend deksel. De vier hoeken der doos en van het deksel vooruitstekend en de randen getand. Binnenin een tweede doos en daarin een klein, dobbelsteenvormig doosje van hetzelfde materiaal met overschuivend deksel. M.

L. 16, br. 10, h. 12 cM.

1) Sarasin, Reisen in Celebes, II, 68.

2) Cat. Bat, Tent. n°. 1979.

3) Kruyt in M. N. Z. G. xl, 132. — Vgl. Meyer und Richter, Celebes, I, pl. XIX, fig. 16.

4) Kruyt, Woordenlost, 5, s. v. ale. — Jasper, Vlechtwerk, 163.

5) Jasper, Vlechtindustrie, 63. — Idem, Vlechtwerk, p. 52, fig. 44. — lehmann, Gefiechtsarten, pl. I, fig. 58.

6) Lehmann, o. c. pl. ii, fig. 60.

7) Adriani en Kruyt, II, 211—216.

8) Jasper, Vlechtwerk, fig. 219. — Adriani en Kruyt, II, 328.

9) Pandanussoort (Adriani en Kruyt, II, 329. — Kruyt, Woordenlijst, 75, s. v. — Jasper, o. c. 25). 10) Jasper, o. c 59.

Sluiten